Tit Khun
de verhalen
niet allemaal
Je kunt HIER meer lezen over Tit Khun. Mocht je interesse hebben dan kun je HIER lezen over lestijden en HIER over de kosten. Voor contact met mij kun je HIER klikken.
Meneer Tan vertelde elke les wel verhalen; verhalen die hij weer gehoord had of situaties die hij zelf had meegemaakt. Altijd was er een verband met de uitleg van dat moment.
In deze vertellingen heb ik de oude Kuntao-benamingen intact gelaten, en de namen van de technieken zijn dus -zoals gebruikelijk in het voormalig Nederlandsch-Indië- een mengeling van Nederlands, Chinees en Indonesisch.

De hieronder vertelde verhalen zijn ontleend aan mijn boek 'Tit Khun Pay - annotatie van een krijgsambacht' (ongepubliceerd, 1990). Hierin heb ik -naast een overzicht van de Tit Khun van meneer Tan Eng Ho- alle anecdotes opgetekend die meneer Tan ons vertelde, en aan de hand waarvan wij werden onderwezen in de geschiedenis van deze stijl, maar ook en vooral in de normen en waarden van de traditionele krijgskunstcultuur.
Meneer Tan vertelde dit verhaal altijd uit bewondering voor de moed van Tan Boen Hoey. Het zou heel goed dé gebeurtenis kunnen zijn die meneer Tan ertoe heeft gebracht om Tit Khun te gaan leren.
Toen hij zestien jaar oud was trainde meneer Tan nog geen Tit Khun; hij werkte bij Internatio, een Nederlands bedrijf. Ook Tan Boen Hoey werkte daar, en ze kenden elkaar van het vervoer van en naar het werk.
Het was revolutietijd -tegen de Nederlandse koloniale macht- en iedereen die bij een Nederlands bedrijf werkte liep risico's. Daarom werden de werknemers van Internatio opgehaald en weer naar huis gebracht met een pickup-wagen waarin overdwars, in een met doek overspannen laadbak, bankjes waren gemonteerd.
Op een dag zaten meneer Tan en Tan Boen Hoey naast elkaar in zo'n busje; ze zaten op het bankje dat achterin tegen de cabine was gemonteerd en dus het verst van de ingang -de laadklep- was.
Plotseling werd het busje aangehouden: de afdelingschef die het busje bestuurde had een knappe dame als passagier bij zich in de cabine, maar het was verboden om daar een passagier te hebben. Natuurlijk werden nu ook de passagiers geïnspecteerd en gecontroleerd.
Eén van de controlerende agenten ging op de laadklep van de pickup staan; maar niet iedereen kon zien wat er aan de hand was, en er was dan ook iemand die vroeg "wie is dat?"
"Wie zei dat?" schreeuwde de agent meteen. En omdat hij wilde proberen iedereen bang te maken ging hij wijdbeens in de opening staan. Maar niemand gaf antwoord en dat maakte hem kwaad. "Tsukimai!" riep hij, een Ambonese vervloeking. Het Ambonees gebruikte hij (hoewel hij zelf duidelijk geen Ambonees wás) omdat de Ambonezen algemeen gevreesd werden, en hij wilde indruk maken. "Vervloekt jullie allemaal!"
Dit ging de vormelijke, maar kortaangebonden Tan Boen Hoey te ver. Hij stond op van zijn zitplaats en zei: "Je moet ons niet allemáál vervloeken om wat één iemand zegt!" En meneer Tan, die wist van Tan Boen Hoey's kwaliteiten als Tit Khun-meester, riep naar zijn buurman "veeg hem!"
De agent had dit gehoord. "Doe maar!", zei hij. "Kom maar op!" En hij sprong achterwaarts van de laadklep af terwijl zijn hand in de richting van zijn pistoolholster ging. Maar nèt toen de stoere politieagent zijn pistool wilde trekken voelde hij de knellende greep van Tan Boen hoey, die al achter hem stond, om de hand waarmee hij het pistool inmiddels al half getrokken had.
"Trek maar", zei Tan Boen Hoey op dreigende toon. Maar de agent, beduusd door het plotselinge verschijnen van deze tegenstander en onder de indruk van de stalen greep om zijn hand, durfde niet... en schoof het pistool weer terug in de holster.
De inspectie werd na dit voorval afgebroken en het vrachtwagentje mocht de reis voortzetten. Tan Boen Hoey ging achter op de laadklep zitten, en toen de vernederde agent met zijn vuist schudde trok hij zijn overhemd open en wees op zijn ontblote borst. "Schiet maar!" riep hij. Maar het incident was, gelukkig, voorbij.
Meneer Tan was enorm onder de indruk, vooral door het feit dat hij -hoewel Tan Boen Hoey naast hem op het bankje zat- totaal niet had gezien hóe Tan Boen Hoey over zes banken vol met passagiers achter de agent had weten te komen: hij stónd er gewoon ineens!
Later zou meneer Tan aan Tan Boen Hoey vragen of die op dat moment niet bang was. "Denk jij niet aan de gevolgen voor je vrouw en kinderen als je zou verliezen?"
"Och", antwoordde Tan Boen Hoey laconiek, "voor mijn vrouw en kinderen ben ik niet bang. Mijn vrouw kan hertrouwen of werken, van de honger omkomen zullen ze niet want er is altijd wel een oplossing om aan eten te komen.
En bang? Luister: als een tijger in de jungle sterft laat hij zijn huid na. Niemand zal zeggen "kijk, daar ligt een hond"". Oftewel: Tan Boen Hoey vond het verliezen van zijn waardigheid als meester vele malen erger dan het verliezen van zijn leven.

Zo kwam Tan Boen Hoey aan zijn bijnaam: de Tijger van Senèn.
Tan Boen Hoey