de School van de Kraanvogel

De gang en de kamer

Er zijn veel uiteen­lopende moti­vaties mogelijk om Kung­fu te gaan trainen. Voor mij, als ler­aar, is die moti­vatie niet zo inter­es­sant – het is gewoon één van de vele ver­schil­lende deuren van een grote, ronde kamer en door welke deur je naar bin­nen gaat doet er eigen­lijk niet zoveel toe; alles is mooi.
Natu­urlijk zijn er mensen die ver­vol­gens niet de spreek­wo­ordelijke kamer in gaan maar in het por­taal na die deur bli­jven hangen – oefe­nen voor de gezond­heid, zelfverdedig­ing, acro­batis­che beweg­ingskun­st, noem maar op.

En even­zo natu­urlijk zijn er ler­aren die zich op spec­i­fiek één van die por­tal­en richt­en en ver­vol­gens de bin­nenkomers niet verder de weg wijzen naar de kamer — omdat er zo het meeste geld te ver­di­enen valt, omdat ze zelf niet meer weten of kun­nen of gewoon omdat ze dat leuk vin­den.

Voor de leer­ling geldt ‘niks is goed, niks is fout’: de con­sument-leer­ling (de leer­ling die niet verder wil dan wat hij of zij toch al weet) kri­jgt de ler­aar die hem of haar daar­bij helpt en de stu­dent-leer­ling (die uit zichzelf al nieuws­gierig is naar ‘maar waarom dan? Hoe zit dat?’) kri­jgt hier een (hopelijk) goede basis en zoekt daar­na uit zichzelf wel verder.

‘De com­mer­ciëlen’ (dege­nen die jou in het por­taal houden, om wat voor reden dan ook) hebben zek­er hun plaats en vervullen een behoefte; maar het zijn niet dege­nen die de kun­st over­dra­gen – het zijn niet dege­nen die jou begelei­den vanaf de door jou gekozen deur en die je door het por­taal naar ‘de kamer’ willen bren­gen: dat vraagt namelijk een invester­ing qua tijd van hen die maakt dat ze min­der kun­nen ver­di­enen aan anderen.

Maar wat is dan die ‘kamer’?

Dat is de volledi­ge Kung­fu-school; een ambachtelijke vako­plei­d­ing die inzet vraagt en waarin je geschoold wordt ‑al of niet door dezelfde ler­aar- in vier hoof­don­der­w­er­pen:

  1. beoe­fen­ing van Chi­nese vechtkun­st, want bij welke vorm van ‘ener­getisch werk’ dan ook is inter­ac­tie dé manier om je vaardigheid te ver­sterken;
  2. beoe­fen­ing van Chi­nese gezond­hei­d­soe­fenin­gen — in West­ers denken een apart iets maar in feite onlos­make­lijk ver­bon­den met het kri­jgskun­st-aspect om diverse rede­nen (dat vraagt een aparte post);

3. beoe­fen­ing van tra­di­tionele Chi­nese medici­j­nen (vooral acupunc­tu­ur en/of mas­sage omdat dat ‘fysiek­er’ is dan kruiden­ge­neeskun­st) want als jij niet goed wil of kunt zijn voor anderen, waarom zou een ler­aar je dan scholen in ‘slechte’ din­gen? Boven­di­en is de ken­nis die je hieruit opdoet onmis­baar voor je studie in vaardigheid van de eerdere twee pun­ten;
4. ken­nis van nei­dan 内丹, de interne alchemie, omdat de visie ten aanzien van qi daar­van meer over­lapt met die van de Chi­nese kri­jgs- en gezond­hei­d­skun­sten dan de werk­mod­ellen en uit­leg van de tra­di­tionele Chi­nese medici­j­nen;
5. studie van de antieke Chi­nese strate­gis­che stud­ies (Sun­zi Bing­fa e.a.), zodat je snapt hoe de stri­jd tegen één of tegen tien­duizend het­zelfde is en je, via ken­nis­name van o.a. de Sun­zi Bing­fa (maar ook andere Chi­nese strate­gis­che geschriften) je kun­st con­ceptueel leert benaderen. In som­mige stro­min­gen wordt ook de studie van de Yijing belan­grijke gevon­den, voor het­zelfde doel.

Naschrift: uit­er­aard is het boven­staande over ler­aren enigszins gechargeerd — zelf geef ik immers ook regel­matig cur­sussen in mijn woon­plaats in ‘alleen maar’ gezond­hei­d­soe­fenin­gen. Ik vind dat heel belan­grijk om te doen: goed zijn voor andere mensen en helpen waar je kunt met de mid­de­len die je tot je beschikking hebt. Pro­tect the weak.

Scroll naar boven