de School van de Kraanvogel

Het verschil tussen Tai Chi en Qigong

Soms zit je zolang in een ‘dis­ci­pline’ dat je ver­geten bent hoe het was toen je zelf net begon. Mijn leer­lin­gen mak­en het mij daar ook niet gemakke­lijk in: zij zelf oefe­nen inmid­dels alweer vele jaren bij mij, zijn ver gevorderd, en geven zelf les aan relatieve begin­ners; ter­wi­jl ikzelf me alleen nog bezighoud met hen.

Maar toen ik zelf nog maar net doorvloei­de van de zachte sti­jl Kung­fu die ik geleerd had naar Tai Chi begon mijn leer­ti­jd niet met de beweg­in­gen van Tai Chi maar met Qigong. Ik had geen flauw idee waarom dat was — of wát dat was.

De kern van het ver­haal is, zo weet ik inmid­dels na al deze jaren dat ik ‘in het veld’ zit, dat Tai Chi een kri­jgskun­st is. En ik gebruik met opzet het antieke woord ‘kri­jgskun­st’: Tai Chi is inmid­dels ongeveer vier­hon­derd jaar oud en stamt uit een tijd van zwaar­den en speren. Daarmee zit je in de sit­u­atie van een slagveld uit vroegere tij­den en zoals dat gaat op slagvelden: er ontstaat een soort van wapen­wed­loop. De per­soon of per­so­n­en die Tai Chi ontwier­pen wilden iets extra’s, iets waar­door mensen die andere kri­jgskun­sten beoe­fend­en en die aan ‘de andere kant’ ston­den ver­sla­gen kon­den wor­den. De meer­waarde die men zocht werd gevon­den in de vele stro­min­gen van gezond­hei­d­skun­sten die Chi­na van oud­sh­er kent.

Die gezond­hei­d­skun­sten zijn heel divers, zow­el qua manier van oefe­nen als qua doel­stelling. Er zijn stro­min­gen die inder­daad puur voor de dagelijkse gezond­heid bedoeld zijn, er zijn er die gelieerd zijn aan de antieke alchemistis­che onster­fe­lijkhei­d­skun­st en er zijn spir­itueel-med­i­tatieve stro­min­gen. Niets daar­van heeft met kri­jgskun­st te mak­en maar ze hebben alle­maal één ding met elka­ar gemeen: ze baseren zich op een mens­beeld dat niet uit­gaat van spieren, bot­ten enzovoorts (al kende men de menselijke anatomie al pak­weg twee­duizend jaar voor die hier in het west­en werd ‘ont­dekt’ tot in detail); in plaats daar­van ging men uit van qi, ‘energie’, die in banen door het lichaam zou stromen, de zoge­heten merid­i­a­nen.

Hoe kon men vin­den dat dit een meer­waarde zou hebben voor kri­jgskun­sten?

Voor het antwo­ord op die vraag kun­nen we pri­ma kijken naar de Olymp­is­che Spe­len die onlangs in Brazil­ië zijn gehouden, en waar we topatleten in ver­schil­lende dis­ci­plines aan het werk hebben kun­nen zien. Die atleten hebben, naast hun onmenselijk zware train­ing, met elka­ar gemeen dat ze allemáál ontzettend goed zijn en dus met de vraag zit­ten hoe ze toch weer net iets beter kun­nen wor­den. Ze lat­en zich daarom onder­plakken met patch­es en wor­den ver­vol­gens gefilmd, en dankz­ij die patch­es kan een com­put­er hun beweg­in­gen reg­istr­eren en uitreke­nen hoe ze net weer iets effi­ciën­ter kun­nen hoogsprin­gen, hard­lopen, zwem­men of ver­sprin­gen.

Die mid­de­len had men in vroegere tij­den niet, maar men had wèl die gezond­hei­d­soe­fenin­gen die de beoe­fe­naar oefend­en in qi, ‘energie’.

Een noodza­ak bij de vri­je doorstro­ming van qi door het lichaam is fysieke ontspan­ning. Daarmee bedoel ik niet dat je net zo slap moet zijn als nat­te spaghet­ti maar dat je jezelf bewust maakt van onn­odi­ge voel­baarhe­den in je lichaam, ‘span­ning’ zo je wilt. Hoe langer je oefent hoe sen­si­tiev­er je wordt, zow­el in als op je lichaam; en daarmee hebben we al twee aspecten te pakken die de toevoeg­ing van deze oefenin­gen aan een kri­jgskun­st zin­vol maak­ten: je leert je eigen lichaam in een opti­male posi­tie plaat­sen vanu­it je gevoel (waar­door je bijvoor­beeld hard­er kunt slaan, ik noem maar wat), èn je leert om ‘op je lichaam’ het con­tact met de tegen­stander te beïn­vloe­den.

Al met al verk­laart dit de waarde van de toevoeg­ing van gezond­hei­d­soe­fenin­gen aan de kri­jgskun­st Tai Chi.

Waar deze diverse gezond­hei­d­soe­fenin­gen evolueer­den en samenkwa­men in wat we tegen­wo­ordig Qigong noe­men, groei­de ook Tai Chi door de tijd heen. Toen er vuur­wapens kwa­men was een kri­jgskun­st niet meer zin­vol op het slagveld, en Tai Chi werd ‑we zit­ten nu in de negen­tiende eeuw- een indi­vidu­ele zelfverdedig­ingskun­st. En in de vorige ‑twintig­ste- eeuw is dan weer de invloed van die gezond­hei­d­skun­sten op de verdedig­ingskun­st naar de voor­grond getre­den, en heette Tai Chi ineens een gezond­hei­d­skun­st te zijn, een soort van bewe­gende yoga.

Niet is dus min­der waar: Qigong is een med­i­tatieve gezond­hei­d­skun­st en als zodanig geïn­cor­poreerd in de verdedig­ingskun­st Tai Chi. Hoewel de beweg­in­gen op elka­ar lijken door de invloed over en weer en hoewel ook Tai Chi ‘solo’ geoe­fend wordt in vor­men, chore­ografieën, zijn er dus wel degelijk ver­schillen.

Een voor­beeld van een Tai Chi-chore­ografie, gevol­gd door tien Qigong-oefenin­gen

Naar mijn idee moeten die ver­schillen ook bli­jven, en duidelijk naast elka­ar geoe­fend wor­den. Nee, je hoeft niet geïn­ter­esseerd te zijn in ‘vecht­en’ als je Tai Chi oefent; maar het (eventueel in spelvorm) oefe­nen in de Tai Chi-manier van zelfverdedig­ing dóet iets met een mens, het veran­dert je. Door de invloed van de gezond­hei­d­skun­sten en het daoïstis­che ‘go with the flow’-denken dat daarmee gepaard gaat word je niet alleen gezon­der (want fysieke oefen­ing maakt nu een­maal gezond), ook men­taal gebeurt er iets; je leert anders omgaan met weer­stand, met con­frontaties, je laat die makke­lijk­er van je afgli­j­den of weet ze zelfs om te buigen in een sit­u­atie die beter, gezon­der, voor je is.

Samengevat kun­nen we dus stellen dat Qigong een gezond­hei­d­soe­fen­ing is, redelijk med­i­tatief en rust­gevend maar ook bedoeld om aan te sterken, om te her­stellen, om sen­si­tiev­er te wor­den en om meer weer­stand op te bouwen tegen ziek­te. Tai Chi daar­ente­gen is van oor­sprong een kri­jgskun­st, een zelfverdedig­ingskun­st, een fysieke manier om anders ‑zachter- om te gaan met con­frontaties. Al of niet over­drachtelijk.

 

Scroll naar boven