de School van de Kraanvogel

Qigong

Daoïsme, editorial, Qigong

Over Daoïsme

Wat is Daoïsme?
In de School van de Kraan­vo­gel is één van de belan­grijk­ste qigong-oefen­vor­men Wudang Qigong Shibafa, ‘Acht­tien Meth­od­es Wudang Qigong’, kortweg Wudang Qigong. De band tussen Wudang Qigong en het Daoïsme noodza­akt ons om ons te verdiepen in het Daoïsme, en er zijn twee manieren om dat te doen.
De eerste manier bestaat daaruit dat we de Dao, de Weg, zichzelf lat­en onthullen. De meesten van ons zullen ken­nis over het Daoïsme echter tegenkomen via de tweede weg, die inhoudt dat anderen ons erover vertellen. In dat geval nemen we feit­elijk niet zozeer ken­nis van het Daoïsme maar eerder van de visie, en het begrip­sniveau, van het indi­vidu dat zijn per­soon­lijke per­cep­tie van de Dao met ons deelt.
Dit lei­dt ons naar drie niveaus waarop het Daoïsme begrepen kan wor­den.
Op het eerste niveau baseren we ons begrip volledig op de geschriften van bijvoor­beeld reizigers die het Daoïsme aan den lijve menen te hebben onder­von­den. Als we hun beschri­jvin­gen lezen zou je het idee kun­nen kri­j­gen dat het Daoïsme een soort van bijgeloof is vol tem­pelt­jes en met hon­der­den, zo niet duizen­den meer en min­der belan­grijke goden, god­hei­d­jes en geesten, en met alchemis­ten, tal­is­man­nen en vel­er­lei magis­che wegen om te tra­cht­en heden en toekomst te beïn­vloe­den.
Het tweede niveau kun­nen we ver­w­er­ven door werken te lezen zoals bijvoor­beeld Kristofer Schipper’s ‘Tao: de lev­ende religie van Chi­na’. We zouden dan al te gemakke­lijk, maar onterecht, gaan geloven dat het Daoïsme een gecom­pliceerde maar goed geor­gan­iseerde religie is ‑met haar eigen cos­molo­gie en vol van vel­er­lei soorten rit­ue­len- die wordt uit­geoe­fend via een kerkachtige organ­isatie.
Om de ver­war­ring te ver­groten is er nog een derde, meer mystiek, niveau om het Daoïsme te begri­jpen en wat we beschreven vin­den in werken zoals de daode­jing en de zhuangzi: het Daoïsme van de ‘eeuwige Weg die niet in woor­den beschreven kan wor­den’, en ‘de Dao kan niet wor­den uitge­drukt in woor­den want als je dat doet is het de Dao niet meer’.
Het Daoïsme heeft dus vele gezicht­en. In de ogen van som­mi­gen is het een bijgeloof van mensen die goden en geesten smeken om wel­vaart en gezond­heid, en die tal­is­man­nen en magis­che incan­taties gebruiken om hun lot te beïn­vloe­den. In de ogen van anderen is het een religie streep filosofie streep metafy­sisch begrip van, en inzicht in, de Weg, de Dao.
Nu luidt de eerste zin van de daode­jing, het oud­ste en beroemd­ste boek over Daoïsme dat 2500 jaar gele­den werd geschreven door Laozi: “de Dao die kan wor­den benoemd is niet de eeuwige Dao”.
Graag wil ik je op basis van deze open­ingszin een gedachte meegeven over hoe het Daoïsme werkt, en wat deze zin feit­elijk betekent.
We nemen water als voor­beeld.
Water heeft drie duidelijk iden­ti­ficeer­bare en fysiek van elka­ar te onder­schei­den ‘stat­en van zijn’: ijs, water, en stoom. Eén van de karak­ter­istieken van de sub­stantie ‘water’ is dat het ijs zal bli­jven tot de tem­per­atu­ur sti­jgt tot nul graden Cel­cius; daar wordt het vloeibaar water. En zoals we alle­maal weten veran­dert water onmid­del­lijk in stoom bij hon­derd graden Cel­cius. Deze drie aspecten van water zijn duidelijk door ons vast te stellen, we kun­nen ze onder­schei­den, het zijn feit­elijke ‘din­gen’, feit­elijke materie die we in onze han­den kun­nen nemen (doe dit alsje­blieft niet met de stoom), we kun­nen ze zogezegd naast elka­ar op tafel leggen; ze zijn solide, ze ‘bestaan’.
Echter, er is geen enkele staat van water mogelijk zon­der tem­per­atu­ur; dus blijk­baar is tem­per­atu­ur één van de vele aspecten van water hoewel wij, in ons ‘weten­schap­pelijke’ maar blind-met-één-oog-onder­wi­js, enkel onder­wi­js kri­j­gen over de H2O-mol­e­culen en dergelijke, de ‘vaste’ din­gen. Ons wordt nooit onder­wezen om tem­per­atu­ur als een valide en onaf­schei­delijk aspect van water te zien.
Desal­ni­et­temin is het dit tem­per­atu­ur-aspect dat maakt dat water kan veran­deren van de ene in de andere staat (overi­gens: samen met de fac­toren ‘druk’ en ’tijd’, maar ik wil het niet moeil­ijk­er mak­en dan het al is). En een karak­ter­istiek van tem­per­atu­ur is dat die alti­jd gelei­delijk kan en moet veran­deren.
Hier hebben we dus een zicht­bare en een onzicht­bare per­cep­tie van water: in de zicht­bare, fysieke en uiter­lijke visie is water gebon­den aan natu­ur­wet­ten waar­door het relatief abrupt wijzigt van de ene staat in de andere: er is geen gelei­delijke over­gang van ijs naar water, we hebben het ene moment ijs en het andere moment vloeibaar water; we hebben het ene moment vloeibaar water en plot­sel­ing hebben we stoom.
Aan de andere kant is er het onzicht­bare, ongri­jp­bare en niet-fysieke begrip van water, het aspect dat we onder­schei­den als ’tem­per­atu­ur’. En zodra we water vanu­it deze inval­shoek bezien bestaan er alleen máár gelei­delijke over­gan­gen. Tem­per­atu­ur sti­jgt van min naar plus op een con­stante en gelei­delijke wijze; dat kan sneller of langza­mer geschieden, maar de veran­der­ing ver­loopt alti­jd glad­jes. Er zijn geen plot­selinge veran­derin­gen in tem­per­atu­ur, het is nooit het ene moment nul en het andere moment plot­sel­ing hon­derd graden: er zit alti­jd een ‑sneller of trager ver­lopend- gelei­delijk ver­lopend groeipro­ces van hon­derd graden tem­per­atu­ursti­jging tussen.
Dit staat dus in scherp con­trast tot de fysieke man­i­fes­ta­tie van tem­per­atu­ur ‑in dit geval dus water- die gebon­den is aan spec­i­fieke natu­ur­wet­ten, en die bepalen dat de vaste materie niet op gelei­delijke wijze kan trans­formeren: er is of ijs of water, nooit iets er tuss­enin.
Hoe rela­teert deze water­vergelijk­ing nu aan het Daoïsme?
Daar­voor moeten we even terugk­eren  naar die eerste zin uit de daode­jing: “de Dao die kan wor­den benoemd is niet de eeuwige Dao”. Blijk­baar waren er dus mensen die claim­den dat de Dao wèl benoemd kan wor­den; maar ver­vol­gens sprak­en ze over water in de vorm van ijs, in de vorm van vloeibaar water of in de vorm van stoom; ze sprak­en over water als één van deze drie gri­jp­bare, objec­tiveer­bare en duidelijk van elka­ar te onder­schei­den kwaliteit­en.
Maar nee, zegt de daode­jing, dat is niet de eeuwige Dao. Door enkel te kijken naar de gri­jp­bare stat­en van water zie je de tem­per­atu­ur haar werk niet doen, je mist de kracht die de veran­der­ing veroorza­akt en mogelijk maakt. Je mist hoe water niet iets vasts is in drie ver­schil­lende vor­men, dat het in werke­lijkheid voort­durend van de ene in de andere zijnsvorm veran­dert op een gelei­delijke manier. Je mist het zien van de beweg­ing van water doorheen de tijd, je mist het zien van de tijd zelf. Je mist het eeuwige en bent blind voor het feit dat het vaste alti­jd wijzigt door toe­doen van de gelei­delijke aspecten die aan onze aan­dacht ontsnap­pen.
Dit is een uit­leg van de Dao in woor­den; het kan dus niet de juiste zijn. Onder­zoek zelf.
Qigong

De Vier Aspecten van een interne kunst

(bew­erk­te repost van 8 juni 2009)

In ons lichaam hebben we te mak­en met drie ‘kwaliteit­en’ van qi: jing, qi en yuan-qi.

Yuan-qi kri­jg je, samen met/als onderdeel van jing, mee met je geboorte; je kunt er niet meer of min­der van mak­en en het valt in die zin te vergelijken met het volt­age van ons stroom­netwerk: of je er nou veel of weinig stekkers in steekt en veel of weinig ver­bruikt, het gaat álti­jd om 220 Volt. Yuan-qi zetelt in Ming­men en instigeert alle activiteit waar nodig.

Qi mak­en we op diverse manieren aan. Het meren­deel halen we uit voed­ing en lucht.
Het is dus in ons voordeel als ons totale ademhal­ing­spro­ces op orde is en we zo zuiver mogelijke lucht inade­men, en dat onze voed­ing niet alleen qi-rijk is maar ook dus­danig wordt aan­geleverd (niet te koud, niet te moeil­ijk ver­teer­baar) dat de Maag geen moeite heeft met het ver­w­erken ervan (want dat kóst weer qi, net als tanken met de motor aan).

Jing is meer prob­lema­tisch. Het is onze basisen­ergie en als het goed is hebben we een pret­tige dosis jing meegekre­gen bij onze geboorte, ‘enough to last a life­time’. We noe­men dit de jing van vóór de Hemel.
Jing is te vergelijken met het water in een accu: met min­der water doet de accu het miss­chien nog, maar wel steeds moeiza­mer en moeiza­mer… tot de accu droogstaat en stopt met werken.

Langzaa­maan wordt er van deze jing opge­bruikt, bijvoor­beeld om de eerder genoemde yuan-qi te gener­eren maar vooral ook door gewoon te lev­en; en als uitein­delijk de jing op is gaan we dood. Je zou jing dus kun­nen beschouwen als een uiter­mate hoog­waardi­ge vorm van qi, en voor Tai Chi-mensen is het juist de jing waar uit getapt wordt bij het gener­eren van de diverse jing’s (ander woord­je ‘jing’), zoals peng jing en fa jing.

Aangezien jing de basis­grond­stof is kan dat tap­pen niet oneindig voort­gaan en het is dus zaak om het ver­bruik­spro­ces zoveel mogelijk te ver­tra­gen.

Dit ver­tra­gen doen we door een com­bi­natie van (a) de opbouw van qi via voed­sel en lucht, en (b) door nieuwe jing ‑we noe­men die ‘de jing van ná de Hemel’- aan te mak­en. Nieuwe jing maak je namelijk aan uit de qi die je aan het einde van de dag over­houdt, net als geld dat je (bij mij is dit hypo­thetisch) aan het einde van de maand over­houdt en op je spaar­reken­ing zet.

Dit maakt de bal­ans van je dagverdel­ing tussen activiteit en rust weer uiter­mate belan­grijk: tij­dens activiteit ver­bruik je yang-qi die uit­er­aard deels weer wordt aange­vuld door te eten en te ade­men (en dan weer opnieuw ver­bruiken) maar die zich vooral tij­dens een yin-peri­ode weer aan kan zuiv­eren. En de opti­male yin-peri­ode is ‘s‑nachts, wan­neer je slaapt.

Ide­aliter slaap je dus wan­neer het donker is: in de win­ter meer dan in de zomer. De maatschap­pij van tegen­wo­ordig maakt dit uit­er­aard nage­noeg onmo­gelijk en ongewenst, en onder andere daar­door komt het dan ook dat de mensen van tegen­wo­ordig ener­getisch zwak zijn.

Maar waar het op neerkomt is het vol­gende: om onze jing op peil te houden (en onster­fe­lijk te wor­den, of in ieder geval de Tai Chi-kracht­en te begri­jpen) is het zaak om zoveel mogelijk yin-peri­ode te creëren.

Daarom zie je dat interne kun­sten (welke dan ook: Tai Chi, geneeskun­st, kalligrafie…) zijn onder te verde­len in vier sub­dis­ci­plines, als vol­gt af te beelden:                       

——————————————————————————————————————–

1. Zit­tende Med­i­tatie
Doel van deze zit­tende med­i­tatie is yi-qi, ‘één qi’. Door in kleer­mak­er­sz­it te gaan zit­ten komt ons huiyin-punt zo dicht mogelijk bij het cen­trum van alle yin, de aarde. We proberen ons lichaam tot een soort gelei­der van de neer­waarts stromende yin-qi te mak­en WANT “yin houdt yang vast”. Op deze wijze bren­gen we de qi in ons lichaam tot rust, we kalmeren de interne wilde gol­ven en woek­erin­gen van fysieke en men­tale beweg­ing tot we, als het ware, ‘een meer van qi’ in ons lichaam hebben gecreëerd.

Dat meer bestaat uit ‘geen gedacht­en’. Elke gebeurte­nis ron­dom ons wordt als het ware een steen­t­je dat in het meer wordt gegooid en het is ons streven om niet naar de gooier te zoeken –de oorza­ak van, of reden voor die gebeurte­nis of het uit­denken van een gedachte- maar het steen­t­je te accepteren, de golvin­gen die het teweeg­brengt rustig te dem­pen en opnieuw het meer tot stilte te bren­gen. Er is geen sprake meer van ‘qi in de armen’, ‘qi in het hoofd’, ‘qi in het dant­ian’ enzovoorts, en er is al hele­maal geen wereld meer buiten ons: er is alleen nog maar ‘één qi’.

 2. De Man­i­fes­ta­tie van Yin en Yang
Dit tweede sym­bool staat voor het pro­ces dat we ‘dal­end yin maakt sti­j­gend yang’ noe­men. We gebruiken hier het zoge­naamde zhanzhuang, het ‘paal-staan’. In feite zijn we nog steeds bezig met ‘zit­ten’, met het intact houden van yi qi, maar door dit staand te doen (hoe lager en zwaarder, hoe beter en hoe meer resul­taat) herken­nen we een door de zwaartekracht geïn­stigeerde, voort­durend neer­waarts stromende voel­bare ontspan­ning; het pro­ces van zo bezig zijn staat bek­end als ‘zinken’, en de voort­durend neer­waarts stromende en voel­bare ontspan­ning is yin-qi.
Ervan uit­gaande dat we, mid­dels onze zit­tende med­i­tatie, de inner­lijke stilte van yi qi vol­doende in stand weten te houden kun­nen we onszelf nu al staande richt­en op het intern reg­istr­eren van hoe ‑ter­wi­jl we de yin voe­len dalen- de yang-qi volledig uit zichzelf wil sti­j­gen. Van­daar dat we zeggen ‘dal­end yin maakt sti­j­gend yang’.

Als er zó’n sterke yin is dat de yang onze armen ‘als vanzelf’ omhoog beweegt en als het ware uitvult (en dat het yang is en niet een spierenkwest­ie voel je aan bepaalde, spec­i­fiek te benoe­men fac­toren) kom je bij de derde sub­dis­ci­pline:

 3. Qigong
Qigong ken­merkt zich door de vele beweg­ingsvar­iëteit­en. Doel van de vele qigong-sti­jlen is geen­szins om qi óp te bouwen, dat zou maar een beperkt resul­taat oplev­eren omdat je tegelijk­er­ti­jd aan het bewe­gen bent, en aan het con­cen­tr­eren op je ademhal­ing bijvoor­beeld (een vorm van ‘denken’ dus).
Het is zaak om gedurende alle beweg­in­gen in het yi qi-aspect van inner­lijke rust en onver­stoor­baarheid te bli­jven en het ‘dal­end yin, sti­j­gend yang’ intact te houden; op deze wijze kun­nen we het dant­ian vullen en uitein­delijk, als gevolg van een boven­matige com­pressie van het dant­ian,  onze qi  expanderen (wat expan­sie is een gevolg van over­com­pressie’) en zo ons ener­getisch veld gener­eren.

 4. Kung Fu, Tai Chi, geneeskun­st of andere qi-dis­ci­plines
Hier hoef ik niet zoveel over uit te leggen, want dit is nor­maalge­spro­ken je ingang tot deze vier aspecten al zal het uitein­delijk toch de laat­ste stap in je vaardighe­den wor­den: hier leer je over com­pressie en expan­sie van je qi, en ben je bezig met inter­ac­tiviteit tussen je bin­nen­wereld met je buiten­wereld.

Scroll naar boven