de School van de Kraanvogel

Loslaten

De meest veelz­i­jdi­ge van alle uit­sprak­en is ‘loslat­en!’ Er zijn twee manieren waarop deze uit­spraak wordt gebruikt.

De eerste uit­leg is sim­pel en let­ter­lijk: niet langer vasthouden dan nodig. Wat het dan ook is dat je vasthoudt.

In het ver­lengde daar­van moet ik denken aan hoe ik ooit in een natu­ur­film zag hoe jonge men­sapen zich, na hun geboorte, onmid­del­lijk vastk­lam­p­en aan hun moed­er. Bij ons, verre neven van die apen, lijkt dit niet meer voor te komen maar toch kun je aan baby’s merken dat het niet ècht verd­we­nen is. Let maar eens op de vas­theid en opmerke­lijke kracht van hun greep, en de neig­ing om vuist­jes te mak­en. Iets vast­pakken is dan ook iets dat we van nature in ons hebben en daarmee ook, in over­drachtelijke zin, het alti­jd ergens grip op willen hebben.

In de ogen van velen is vechtkun­st een doel­gerichte vaardigheid. Doel­gericht, want we wor­den aangevallen en willen onszelf verdedi­gen. Dat alleen is al een doel. Tij­dens de verdedi­gende han­delin­gen zien we mogelijkhe­den hoe we kun­nen blokkeren, ontsnap­pen of waar we de ander kun­nen tre­f­fen. Ook dat zijn doe­len die we onszelf stellen. We willen win­nen, niet ver­liezen. Alweer een doel. Al deze doe­len zijn in feite ideeën; we wor­den omge­gooid omdat we het idee van staan had­den, dat idee is ver­sto­ord ger­aakt en ver­vol­gens bli­jven we onszelf ‑ondanks het omvallen- vastk­lam­p­en aan dat idee van staan. Zodoende streven we naar overeind bli­jven, en in die zin is het vasthouden aan een idee dus in principe een goed iets: nie­mand wil omvallen.
Maar dat is pre­cies wat er gebeurt, juist omdat we vast bli­jven houden aan het idee van staan.

In vechtkun­st geldt dat wan­neer ik de han­del­ing ‘slaan’ uitvo­er, dan is dat niet in het wilde weg maar naar een bepaald doel: de buik bijvoor­beeld, of het gezicht. Er zit dus een idee achter de han­del­ing, de han­del­ing ‑het slaan- zelf heeft een bepaalde inten­tie en ook inten­tie is een idee. In veel andere scholen word je erop getraind om ‘doel­gericht’ te bli­jven, om vast te houden aan de ideeën die je hebt ingezet ‘want alleen op die manier bereik je suc­ces’. Onzin: het is juist dé manier om je onder­gang tege­moet te gaan. Want wan­neer ik mis bli­jf ik net iets te lang op mijn aan­vanke­lijke doel gericht omdat ik niet alleen mijn arm, maar ook mijn idee moet her­roepen. Daar­door ben ik niet op tijd om te rea­geren op de reac­tie van de tegen­stander omdat ik nog vasthoud aan mijn idee.
En waar het de grotere lij­nen van het gevecht ‑en miss­chien zelfs wel van ‘het lev­en’- betre­ft betekent het dat ik, wan­neer ik vastz­it in mijn doel­gerichtheid, in mijn idee, ik blind ben voor de alter­natieve mogelijkhe­den. Sim­pel­weg omdat ik ze niet wil zien.

‘Loslat­en’ betekent dan ook zoveel meer dan alleen maar ‘niet vasthouden’; het betekent ook dat je niet probeert te forceren wat je wil hebben maar wat (in ieder geval op dat moment) buiten bereik ligt, en dat je juist dat doet wat jou wordt aange­bo­den en voor de voeten komt.
Loslat­en gaat dan ook over het bewan­de­len ‑over het toes­taan- van de makke­lijke weg. En dat is heel moeil­ijk.

Voor de tweede manier om ‘loslat­en’ te begri­jpen moeten we wat filosofis­ch­er te werk gaan. Daar wil ik je in meen­e­men aan de hand van twee voor­beelden.

Het eerste voor­beeld is de tijd.

Wij mensen hebben een tijds­be­sef. De zon gaat op, de zon gaat onder, en aan de hand daar­van bepalen we onze afsprak­en. In de kern is dat een natu­urlijk pro­ces: som­mige prooien vang je ’s nachts, andere in de vroege ocht­end, enzovoorts. Als je er niet op de juiste tijd bent vang je niks en kri­jg je honger. Lat­er werd dat voor een deel ver­legd naar het juiste zaai- of oogst­mo­ment in het jaar, maar het idee bleef het­zelfde.

Echter, ergens in de geschiede­nis zijn we die tijd gaan ‘van­gen’, we zijn haar gaan benoe­men. We hebben klok­jes gemaakt met streep­jes erop, die streep­jesin­del­ing zijn we ‘de tijd’ gaan noe­men en ver­vol­gens hebben we de èchte tijd naast ons neergelegd. Waar we zouden moeten slapen als het donker is en actief zijn tij­dens het daglicht zijn we regelt­jes gaan mak­en die ons opleggen dat we tussen die en die streep­jes moeten werken, van zus-tot-zo laat moeten slapen, enzovoorts. We zijn machines gaan mak­en die vol­gens die regelt­jes werken en die machines ‑of ‘machiner­ieën’ waar het maatschap­pelijke of werkprocessen betre­ft- zijn afhanke­lijk van onze bedi­en­ing, dus wij dwin­gen onszelf weer bin­nen die machineregelt­jes. We hebben de tijd gecon­sta­teerd, daar een matrix over­heen gelegd die vak­er niet dan wel overeen­stemt met het orig­i­neel en ver­vol­gens zijn we vol­gens die kun­st­matige, zelfver­zon­nen matrix gaan lev­en. We hebben de natu­ur volledig naast ons neergelegd en verzwakken onze gevoe­ligheid en onze natu­urlijke energie door buiten het ritme van de wereld ron­dom ons te lev­en.

Een tweede voor­beeld is de natu­ur en hoe wij ermee omgaan.

Wij hebben een bepaald gevoel van belan­grijkheid, ja zelfs van arro­gantie; we noe­men onszelf zelfs ‘de kroon van de schep­ping’. Maar die zoge­naamde belan­grijkheid heeft gemaakt dat wij alles om ons heen kapot denken te mogen mak­en. Eén van de gevol­gen daar­van is een veran­der­ing in ons leefm­i­lieu, in wat wij ‘de natu­ur’ noe­men. De vervuil­ing die wij toevoe­gen aan de natu­urlijke uit­stoot­processen heeft ver­snel­lende negatieve invloed op dat leefm­i­lieu.

Inmid­dels zijn we zover dat we waarne­men dat de seizoe­nen veran­deren, en we zeggen zelfs “de natu­ur is van slag”. Maar dat is onzin, de natu­ur is hele­maal niet van slag: ze fluctueert, ze gaat mee met de input (onder andere de door ons gepro­duceerde vervuil­ing) die ze kri­jgt, en ze veran­dert in een tem­po dat hoo­gu­it zo langza­am gaat dat wij het niet als natu­urlijke golf­be­weg­ing herken­nen omdat we te kort lev­en en waarne­men. Maar ergens was er ooit een idioot die het in zijn hoofd haalde om zak­en te benoe­men: van dan tot dan is het win­ter en dan hoort er sneeuw te vallen, van dan tot dan is het zomer en dan moet het lekker warm zijn. Nu komt onze aarde in een ander deel van haar golf­be­weg­ing (al of niet door ons ‘geholpen’) en in plaats van dat wij ons nu aan­passen aan hoe de natu­ur zich gedraagt willen wij haar dwin­gen om bin­nen onze gefan­taseerde win­ter-en-zomer-regelt­jes te bli­jven.

Deze twee voor­beelden illus­tr­eren een filosofisch soort ‘loslat­en’. Wij hebben eerst een matrix gemaakt die kun­st­matig is (ons idee van de tijd of van het ritme van de natu­ur) en ver­vol­gens gaan we ons naar die matrix gedra­gen in plaats van naar de ware aard áchter die matrix: de echte tijd of de ware natu­ur.

Vechtkun­st gaat over het hanteren van dergelijke kun­st­matige matrix­en. We houden ons niet bezig met hoe een beweg­ing feit­elijk ver­loopt, hoe de golf­be­weg­ing die de inter­ac­tie tussen ons en de ander is heen en weer pulseert. We zien alleen maar de ‘ik ben goed en hij is slecht’-emotie, we voe­len alleen maar de angst of woede (of bei­de) en wor­den blind voor het feit­elijke ver­loop van de inter­ac­tie. We hebben regelt­jes gemaakt in de zin van wel of niet sportief zijn en het vecht­en volledig ont­trokken aan wat vecht­en eigen­lijk is. Het is niet voor niks dat de Daode­jing begint met “道可道非常道” – dao ke dao fei chang dao: ‘de weg die in woor­den gevat kan wor­den is niet de bestendi­ge weg’. Woor­den zijn een kun­st­matige matrix die de mens oplegt aan haar omgev­ing, om ver­vol­gens aan dat kun­st­matige vast te houden en de ware aard van diezelfde omgev­ing te ver­geten.

‘Loslat­en’ gaat dan ook over ‘ophouden te willen begri­jpen’, te ‘be-gri­jpen’; laat het idee van willen win­nen of niet willen ver­liezen los, laat je ang­sten en woede los, laat je ideeën over hoe te han­de­len los; en kijk ‑nee: voel- de inter­ac­tie.

Let go of the matrix.

Scroll naar boven