de School van de Kraanvogel

Qigong

Intern en zo

Hoewel iedere mens in de kern ener­getisch van aard is, is dat alti­jd nog heel iets anders dan ener­getisch zijn. Je kunt dat vergelijken met een elec­trisch appa­raat: het feit dat het op stroom werkt wil nog niet zeggen het ding elek­trisch is, als het goed is kri­jg je geen optater als je het aan­raakt.

Eén van de func­ties van qi die je niet zult leren in het rijt­je ‘func­ties van qi’ als je bijvoor­beeld acupunc­tu­ur studeert is: qi maakt ‘vol’, het vult de merid­i­a­nen en daar­door ook de mens die uit die merid­i­a­nen bestaat. Dat is waarom wij rech­top kun­nen bli­jven staan, wat ons lichaam omhoog houdt; maar het is ook de reden waarom we ‘dik’ zijn, mas­sa hebben. En hoe meer qi hoe voller de mens, hoe meer rech­top.
In die zin kun­nen we onszelf dus vergelijken met een half-lege bal­lon die, door oefenin­gen zoals qigong, gelei­delijk wordt opge­blazen en wordt gevuld met lucht: hoewel de bal­lon aan­vanke­lijk slap­jes was en los­jes is ze nu hard, vol en rond. 
Een­maal vol van qi zijn we dus te vergelijken met een bal; maar dat is nog niet wat we ‘intern zijn’ mogen noe­men.
Door aan­vul­lende oefen­ing kun­nen we onszelf daad­w­erke­lijk gewaar­wor­den alsof we een bal zijn, rond van vorm. En vanaf een bepaald punt zal onze train­ing lonen, en merken we dat we gevuld zijn met ‘iets’. Dat iets, qi, kun­nen we weliswaar niet recht­streeks voe­len maar we nemen de warmte waar die het genereert, we voe­len het bloed stromen dat erdoor bewogen wordt, we ervaren hoe we ‘opge­blazen’ wor­den. We zijn nu dus als het ware een bal met een bin­nenkant, zeg maar een sinaas­ap­pel. Echter, ook dat is nog niet wat we ‘intern zijn’ mogen noe­men.
Intern zijn begint op het moment dat onze waarne­m­ing omdraait. Aan­vanke­lijk had­den we de ervar­ing dat we een bal met een bin­nenkant waren, maar nu voe­len we plot­sel­ing hoe we die bin­nenkant zijn met een schil eromheen. Dát is ‘intern zijn’, intern Zijn.
De vraag is hoe je daar komt.
In mijn School van de Kraan­vo­gel dif­fer­en­tiëren we vier lev­els. Hoewel het wel zo gep­re­sen­teerd, onder­wezen en bestudeerd wordt is het niet een struc­turele opeen­vol­ging in de zin van ‘de één komt na de ander’; voor een deel is dat weliswaar wel degelijk zo, maar er kun­nen spon­tane ervarin­gen en inzicht­en optre­den die met een ander lev­el te mak­en hebben dan waar je hoofdza­ke­lijk zit.
Lev­el I: ‘con­struc­tie’
Als Tai Chi-school zijn wij een kri­jgskun­stschool. De één zoekt voor­namelijk voor zijn of haar gezond­heid te ‘vecht­en’, voor de ander is het een spir­ituele kri­jgskun­st met het ego als voor­naam­ste tegen­stander, voor weer een ander is het een feit­elijke vechtkun­st; en dan zijn er natu­urlijk ook nog die mensen die het gewoon leuk vin­den en fijn vin­den voe­len om op Tai Chi-manier te leren bewe­gen.
Wat al deze inval­shoeken met elka­ar gemeen hebben is dat ze fysiek zijn, en om opti­maal en effi­ciënt fysiek te leren bewe­gen werkt Tai Chi met aller­lei regelt­jes. ‘De rug moet recht zijn’, ‘ontspan’, ‘houd de nek gestrekt alsof je met je hoofd aan een vlee­shaak hangt’, dat soort regelt­jes. 
Uit­er­aard kun je pri­ma bewe­gen zón­der die regelt­jes in acht te nemen maar voor ons zijn ze belan­grijk, omdat ze enerz­i­jds het lichaam uitli­j­nen en anderz­i­jds vol­doende span­ning weg­ne­men, ‘stag­naties oph­ef­fen’, om een vri­je cir­cu­latie van qi mogelijk te mak­en.
We kun­nen dan ook stellen dat het beheersen van con­struc­tie via externe principes (lees mijn boek ‘De Externe Principes van Tai Chi’, inmid­dels verkri­jg­baar als PDF) een belan­grijke voor­waarde-schep­pende fysieke vaardigheid is voor interne train­ing.

Lev­el II: ‘lin­eaire gewaar­word­ing’
Dit lev­el ken­nen de meeste mensen die een tijd­je qigong geoe­fend hebben, of die een 
acupunc­tu­urbe­han­del­ing hebben onder­gaan: de eerste ervar­ing dat je qi begint te voe­len. Natu­urlijk voel je niet de qi, qi kun je niet recht­streeks voe­len. Maar je voelt wel de gevol­gen van qi, de doorstro­ming die vaak met een warm en iet­wat sta­tisch gevoel gepaard kan gaan; de eerste ervarin­gen zijn meestal in de han­den en onder­ar­men. Afhanke­lijk van wat je oefent kan het tra­ject van som­mige merid­i­a­nen ver­vol­gens voel­baar wor­den; meestal begint het met de Long-meridi­aan, en van­daar dat we dit de lin­eaire fase noe­men.
Lev­el III: the­o­rie
Wie echt wil groeien zal daaraan moeten werken. In ons geval betekent het dat we, na onze lin­eaire ener­getis­che ervar­ing, nieuws­gierig wor­den na wat het nu eigen­lijk is wat we voe­len, hoe dat werkt, hoe het door ons lichaam loopt, enzovoorts. We ontkomen nu niet aan the­o­retis­che studie. 

In het oude Chi­na hoefde je daar niet apart voor te gaan stud­eren omdat je de bijbe­horende ken­nis vaak tij­dens je train­ing al meegekre­gen had; immers, je was al op zes­jarige leefti­jd begonnen met trainen en met het uit je hoofd leren van ver­sjes, die nu ineens bijvoor­beeld het meridi­aan­ver­loop blijken uit te leggen of de exacte lokatie en func­tie van spec­i­fieke acupunc­tu­ur­pun­ten. Wij zit­ten echter op meer dan één manier niet in het oude Chi­na en moeten deze ken­nis ver­w­er­ven door bijvoor­beeld tra­di­tionele Chi­nese medici­j­nen (TCM), zoals acupunc­tu­ur, te gaan leren. Bli­jf jezelf daar­bij wel bewust van het feit dat TCM gemod­erniseerd is en daar­door op som­mige pun­ten teko­rt schi­et in haar visie op ener­get­i­ca.
Lev­el IV: ‘spherische gewaar­word­ing’
Eén van de the­o­retis­che ‘inzicht­en’ waar je zo snel mogelijk weer vanaf moet is het idee dat er twaalf orgaan­merid­i­a­nen zijn: in feite is er slechts een­t­je (er zijn nog een aan­tal andere meridi­aan­sys­te­men maar ik wil het ver­haal nu even duidelijk houden). De is heel lang, loopt door ons hele lichaam en stemt zijn fre­quen­tie af op de lokatie waar hij op dat moment passeert. 
We moeten vanaf dit punt een beet­je Zen-achtig te werk gaan want we moeten accepteren dat deze ene meridi­aan niet alleen als een soort van ener­getis­che fiets­band door het hele lichaam loopt, we moeten tegelijk­er­ti­jd accepteren dat hij dat doet in zes lagen die over elka­ar heen liggen.
Ver­vol­gens moeten we ophouden ‑maar door de ervarin­gen vanu­it onze train­ing ligt dat op dit niveau al voor de hand- met merid­i­a­nen als ‘lijn­t­jes door het lichaam’ te visu­alis­eren. Een meridi­aan is niet meer dan de naam voor het lineiaire ver­plaat­en van qi door het lichaam, en beter is het om een vergelijk­ing te mak­en met radiofre­quen­ties en band­breedtes: qi is een fre­quen­tie die meer of min­der band­breedte in beslag kan nemen. Net als bij een radio kun je meer of min­der pre­cies op het zend­sta­tion afstem­men en het komt vaak voor dat de sta­tions te dicht bij elka­ar liggen en dat de zen­ders door elka­ar lopen.
Nu noemde ik al eerder als func­tie van qi dat het ‘vol maakt’. Als een qi-fre­quen­tie over­loopt omdat ze ‘vol’ is, èn qi cir­culeert in zes lagen over elka­ar heen, dan is het onver­mi­jdelijk dat het over­lopen uit de ene laag en het over­lopen uit de andere laag door elka­ar gaat lopen. Dit pro­ces wordt ’trans­for­matie’ genoemd en resul­teert in een meridi­aan-over­loop die het hele lichaam vult en doet pulseren: er ontstaat een dynamo-effect waar­bij de stroom, die door de spi­ralerende kop­er­draad loopt, een veld gaat vor­men.
Als je dit hebt bereikt, of eerder: geopend in jezelf, dan zul je merken dat qi niet alleen lin­eair meer door het lichaam stroomt maar ook als een pulserend veld kan werken. Dit is de manier waarop alle kun­sten die qi toepassen, waaron­der zek­er ook Tai Chi, ermee werken.
Er zijn diverse manieren om dit vierde lev­el verder uit te werken. De manier waarop dit gebeurt is afhanke­lijk van de dis­ci­pline waar je het bin­nen wil toepassen, maar in alle gevallen betre­ft het meth­od­es om het spherische intact te houden ter­wi­jl je het com­primeert in het lin­eaire.
Het is een lang ver­haal gewor­den en zelf kan ik ook niet alles, maar dit is hoe intern wor­den werkt. Doe er je voordeel mee.
Daoïsme, editorial, Qigong

Over Daoïsme

Wat is Daoïsme?
In de School van de Kraan­vo­gel is één van de belan­grijk­ste qigong-oefen­vor­men Wudang Qigong Shibafa, ‘Acht­tien Meth­od­es Wudang Qigong’, kortweg Wudang Qigong. De band tussen Wudang Qigong en het Daoïsme noodza­akt ons om ons te verdiepen in het Daoïsme, en er zijn twee manieren om dat te doen.
De eerste manier bestaat daaruit dat we de Dao, de Weg, zichzelf lat­en onthullen. De meesten van ons zullen ken­nis over het Daoïsme echter tegenkomen via de tweede weg, die inhoudt dat anderen ons erover vertellen. In dat geval nemen we feit­elijk niet zozeer ken­nis van het Daoïsme maar eerder van de visie, en het begrip­sniveau, van het indi­vidu dat zijn per­soon­lijke per­cep­tie van de Dao met ons deelt.
Dit lei­dt ons naar drie niveaus waarop het Daoïsme begrepen kan wor­den.
Op het eerste niveau baseren we ons begrip volledig op de geschriften van bijvoor­beeld reizigers die het Daoïsme aan den lijve menen te hebben onder­von­den. Als we hun beschri­jvin­gen lezen zou je het idee kun­nen kri­j­gen dat het Daoïsme een soort van bijgeloof is vol tem­pelt­jes en met hon­der­den, zo niet duizen­den meer en min­der belan­grijke goden, god­hei­d­jes en geesten, en met alchemis­ten, tal­is­man­nen en vel­er­lei magis­che wegen om te tra­cht­en heden en toekomst te beïn­vloe­den.
Het tweede niveau kun­nen we ver­w­er­ven door werken te lezen zoals bijvoor­beeld Kristofer Schipper’s ‘Tao: de lev­ende religie van Chi­na’. We zouden dan al te gemakke­lijk, maar onterecht, gaan geloven dat het Daoïsme een gecom­pliceerde maar goed geor­gan­iseerde religie is ‑met haar eigen cos­molo­gie en vol van vel­er­lei soorten rit­ue­len- die wordt uit­geoe­fend via een kerkachtige organ­isatie.
Om de ver­war­ring te ver­groten is er nog een derde, meer mystiek, niveau om het Daoïsme te begri­jpen en wat we beschreven vin­den in werken zoals de daode­jing en de zhuangzi: het Daoïsme van de ‘eeuwige Weg die niet in woor­den beschreven kan wor­den’, en ‘de Dao kan niet wor­den uitge­drukt in woor­den want als je dat doet is het de Dao niet meer’.
Het Daoïsme heeft dus vele gezicht­en. In de ogen van som­mi­gen is het een bijgeloof van mensen die goden en geesten smeken om wel­vaart en gezond­heid, en die tal­is­man­nen en magis­che incan­taties gebruiken om hun lot te beïn­vloe­den. In de ogen van anderen is het een religie streep filosofie streep metafy­sisch begrip van, en inzicht in, de Weg, de Dao.
Nu luidt de eerste zin van de daode­jing, het oud­ste en beroemd­ste boek over Daoïsme dat 2500 jaar gele­den werd geschreven door Laozi: “de Dao die kan wor­den benoemd is niet de eeuwige Dao”.
Graag wil ik je op basis van deze open­ingszin een gedachte meegeven over hoe het Daoïsme werkt, en wat deze zin feit­elijk betekent.
We nemen water als voor­beeld.
Water heeft drie duidelijk iden­ti­ficeer­bare en fysiek van elka­ar te onder­schei­den ‘stat­en van zijn’: ijs, water, en stoom. Eén van de karak­ter­istieken van de sub­stantie ‘water’ is dat het ijs zal bli­jven tot de tem­per­atu­ur sti­jgt tot nul graden Cel­cius; daar wordt het vloeibaar water. En zoals we alle­maal weten veran­dert water onmid­del­lijk in stoom bij hon­derd graden Cel­cius. Deze drie aspecten van water zijn duidelijk door ons vast te stellen, we kun­nen ze onder­schei­den, het zijn feit­elijke ‘din­gen’, feit­elijke materie die we in onze han­den kun­nen nemen (doe dit alsje­blieft niet met de stoom), we kun­nen ze zogezegd naast elka­ar op tafel leggen; ze zijn solide, ze ‘bestaan’.
Echter, er is geen enkele staat van water mogelijk zon­der tem­per­atu­ur; dus blijk­baar is tem­per­atu­ur één van de vele aspecten van water hoewel wij, in ons ‘weten­schap­pelijke’ maar blind-met-één-oog-onder­wi­js, enkel onder­wi­js kri­j­gen over de H2O-mol­e­culen en dergelijke, de ‘vaste’ din­gen. Ons wordt nooit onder­wezen om tem­per­atu­ur als een valide en onaf­schei­delijk aspect van water te zien.
Desal­ni­et­temin is het dit tem­per­atu­ur-aspect dat maakt dat water kan veran­deren van de ene in de andere staat (overi­gens: samen met de fac­toren ‘druk’ en ’tijd’, maar ik wil het niet moeil­ijk­er mak­en dan het al is). En een karak­ter­istiek van tem­per­atu­ur is dat die alti­jd gelei­delijk kan en moet veran­deren.
Hier hebben we dus een zicht­bare en een onzicht­bare per­cep­tie van water: in de zicht­bare, fysieke en uiter­lijke visie is water gebon­den aan natu­ur­wet­ten waar­door het relatief abrupt wijzigt van de ene staat in de andere: er is geen gelei­delijke over­gang van ijs naar water, we hebben het ene moment ijs en het andere moment vloeibaar water; we hebben het ene moment vloeibaar water en plot­sel­ing hebben we stoom.
Aan de andere kant is er het onzicht­bare, ongri­jp­bare en niet-fysieke begrip van water, het aspect dat we onder­schei­den als ’tem­per­atu­ur’. En zodra we water vanu­it deze inval­shoek bezien bestaan er alleen máár gelei­delijke over­gan­gen. Tem­per­atu­ur sti­jgt van min naar plus op een con­stante en gelei­delijke wijze; dat kan sneller of langza­mer geschieden, maar de veran­der­ing ver­loopt alti­jd glad­jes. Er zijn geen plot­selinge veran­derin­gen in tem­per­atu­ur, het is nooit het ene moment nul en het andere moment plot­sel­ing hon­derd graden: er zit alti­jd een ‑sneller of trager ver­lopend- gelei­delijk ver­lopend groeipro­ces van hon­derd graden tem­per­atu­ursti­jging tussen.
Dit staat dus in scherp con­trast tot de fysieke man­i­fes­ta­tie van tem­per­atu­ur ‑in dit geval dus water- die gebon­den is aan spec­i­fieke natu­ur­wet­ten, en die bepalen dat de vaste materie niet op gelei­delijke wijze kan trans­formeren: er is of ijs of water, nooit iets er tuss­enin.
Hoe rela­teert deze water­vergelijk­ing nu aan het Daoïsme?
Daar­voor moeten we even terugk­eren  naar die eerste zin uit de daode­jing: “de Dao die kan wor­den benoemd is niet de eeuwige Dao”. Blijk­baar waren er dus mensen die claim­den dat de Dao wèl benoemd kan wor­den; maar ver­vol­gens sprak­en ze over water in de vorm van ijs, in de vorm van vloeibaar water of in de vorm van stoom; ze sprak­en over water als één van deze drie gri­jp­bare, objec­tiveer­bare en duidelijk van elka­ar te onder­schei­den kwaliteit­en.
Maar nee, zegt de daode­jing, dat is niet de eeuwige Dao. Door enkel te kijken naar de gri­jp­bare stat­en van water zie je de tem­per­atu­ur haar werk niet doen, je mist de kracht die de veran­der­ing veroorza­akt en mogelijk maakt. Je mist hoe water niet iets vasts is in drie ver­schil­lende vor­men, dat het in werke­lijkheid voort­durend van de ene in de andere zijnsvorm veran­dert op een gelei­delijke manier. Je mist het zien van de beweg­ing van water doorheen de tijd, je mist het zien van de tijd zelf. Je mist het eeuwige en bent blind voor het feit dat het vaste alti­jd wijzigt door toe­doen van de gelei­delijke aspecten die aan onze aan­dacht ontsnap­pen.
Dit is een uit­leg van de Dao in woor­den; het kan dus niet de juiste zijn. Onder­zoek zelf.
Scroll naar boven