de School van de Kraanvogel

Filosofie, Instructie, Zegswijzen

Loslaten

De meest veelz­i­jdi­ge van alle uit­sprak­en is ‘loslat­en!’ Er zijn twee manieren waarop deze uit­spraak wordt gebruikt.

De eerste uit­leg is sim­pel en let­ter­lijk: niet langer vasthouden dan nodig. Wat het dan ook is dat je vasthoudt.

In het ver­lengde daar­van moet ik denken aan hoe ik ooit in een natu­ur­film zag hoe jonge men­sapen zich, na hun geboorte, onmid­del­lijk vastk­lam­p­en aan hun moed­er. Bij ons, verre neven van die apen, lijkt dit niet meer voor te komen maar toch kun je aan baby’s merken dat het niet ècht verd­we­nen is. Let maar eens op de vas­theid en opmerke­lijke kracht van hun greep, en de neig­ing om vuist­jes te mak­en. Iets vast­pakken is dan ook iets dat we van nature in ons hebben en daarmee ook, in over­drachtelijke zin, het alti­jd ergens grip op willen hebben.

In de ogen van velen is vechtkun­st een doel­gerichte vaardigheid. Doel­gericht, want we wor­den aangevallen en willen onszelf verdedi­gen. Dat alleen is al een doel. Tij­dens de verdedi­gende han­delin­gen zien we mogelijkhe­den hoe we kun­nen blokkeren, ontsnap­pen of waar we de ander kun­nen tre­f­fen. Ook dat zijn doe­len die we onszelf stellen. We willen win­nen, niet ver­liezen. Alweer een doel. Al deze doe­len zijn in feite ideeën; we wor­den omge­gooid omdat we het idee van staan had­den, dat idee is ver­sto­ord ger­aakt en ver­vol­gens bli­jven we onszelf ‑ondanks het omvallen- vastk­lam­p­en aan dat idee van staan. Zodoende streven we naar overeind bli­jven, en in die zin is het vasthouden aan een idee dus in principe een goed iets: nie­mand wil omvallen.
Maar dat is pre­cies wat er gebeurt, juist omdat we vast bli­jven houden aan het idee van staan.

In vechtkun­st geldt dat wan­neer ik de han­del­ing ‘slaan’ uitvo­er, dan is dat niet in het wilde weg maar naar een bepaald doel: de buik bijvoor­beeld, of het gezicht. Er zit dus een idee achter de han­del­ing, de han­del­ing ‑het slaan- zelf heeft een bepaalde inten­tie en ook inten­tie is een idee. In veel andere scholen word je erop getraind om ‘doel­gericht’ te bli­jven, om vast te houden aan de ideeën die je hebt ingezet ‘want alleen op die manier bereik je suc­ces’. Onzin: het is juist dé manier om je onder­gang tege­moet te gaan. Want wan­neer ik mis bli­jf ik net iets te lang op mijn aan­vanke­lijke doel gericht omdat ik niet alleen mijn arm, maar ook mijn idee moet her­roepen. Daar­door ben ik niet op tijd om te rea­geren op de reac­tie van de tegen­stander omdat ik nog vasthoud aan mijn idee.
En waar het de grotere lij­nen van het gevecht ‑en miss­chien zelfs wel van ‘het lev­en’- betre­ft betekent het dat ik, wan­neer ik vastz­it in mijn doel­gerichtheid, in mijn idee, ik blind ben voor de alter­natieve mogelijkhe­den. Sim­pel­weg omdat ik ze niet wil zien.

‘Loslat­en’ betekent dan ook zoveel meer dan alleen maar ‘niet vasthouden’; het betekent ook dat je niet probeert te forceren wat je wil hebben maar wat (in ieder geval op dat moment) buiten bereik ligt, en dat je juist dat doet wat jou wordt aange­bo­den en voor de voeten komt.
Loslat­en gaat dan ook over het bewan­de­len ‑over het toes­taan- van de makke­lijke weg. En dat is heel moeil­ijk.

Voor de tweede manier om ‘loslat­en’ te begri­jpen moeten we wat filosofis­ch­er te werk gaan. Daar wil ik je in meen­e­men aan de hand van twee voor­beelden.

Het eerste voor­beeld is de tijd.

Wij mensen hebben een tijds­be­sef. De zon gaat op, de zon gaat onder, en aan de hand daar­van bepalen we onze afsprak­en. In de kern is dat een natu­urlijk pro­ces: som­mige prooien vang je ’s nachts, andere in de vroege ocht­end, enzovoorts. Als je er niet op de juiste tijd bent vang je niks en kri­jg je honger. Lat­er werd dat voor een deel ver­legd naar het juiste zaai- of oogst­mo­ment in het jaar, maar het idee bleef het­zelfde.

Echter, ergens in de geschiede­nis zijn we die tijd gaan ‘van­gen’, we zijn haar gaan benoe­men. We hebben klok­jes gemaakt met streep­jes erop, die streep­jesin­del­ing zijn we ‘de tijd’ gaan noe­men en ver­vol­gens hebben we de èchte tijd naast ons neergelegd. Waar we zouden moeten slapen als het donker is en actief zijn tij­dens het daglicht zijn we regelt­jes gaan mak­en die ons opleggen dat we tussen die en die streep­jes moeten werken, van zus-tot-zo laat moeten slapen, enzovoorts. We zijn machines gaan mak­en die vol­gens die regelt­jes werken en die machines ‑of ‘machiner­ieën’ waar het maatschap­pelijke of werkprocessen betre­ft- zijn afhanke­lijk van onze bedi­en­ing, dus wij dwin­gen onszelf weer bin­nen die machineregelt­jes. We hebben de tijd gecon­sta­teerd, daar een matrix over­heen gelegd die vak­er niet dan wel overeen­stemt met het orig­i­neel en ver­vol­gens zijn we vol­gens die kun­st­matige, zelfver­zon­nen matrix gaan lev­en. We hebben de natu­ur volledig naast ons neergelegd en verzwakken onze gevoe­ligheid en onze natu­urlijke energie door buiten het ritme van de wereld ron­dom ons te lev­en.

Een tweede voor­beeld is de natu­ur en hoe wij ermee omgaan.

Wij hebben een bepaald gevoel van belan­grijkheid, ja zelfs van arro­gantie; we noe­men onszelf zelfs ‘de kroon van de schep­ping’. Maar die zoge­naamde belan­grijkheid heeft gemaakt dat wij alles om ons heen kapot denken te mogen mak­en. Eén van de gevol­gen daar­van is een veran­der­ing in ons leefm­i­lieu, in wat wij ‘de natu­ur’ noe­men. De vervuil­ing die wij toevoe­gen aan de natu­urlijke uit­stoot­processen heeft ver­snel­lende negatieve invloed op dat leefm­i­lieu.

Inmid­dels zijn we zover dat we waarne­men dat de seizoe­nen veran­deren, en we zeggen zelfs “de natu­ur is van slag”. Maar dat is onzin, de natu­ur is hele­maal niet van slag: ze fluctueert, ze gaat mee met de input (onder andere de door ons gepro­duceerde vervuil­ing) die ze kri­jgt, en ze veran­dert in een tem­po dat hoo­gu­it zo langza­am gaat dat wij het niet als natu­urlijke golf­be­weg­ing herken­nen omdat we te kort lev­en en waarne­men. Maar ergens was er ooit een idioot die het in zijn hoofd haalde om zak­en te benoe­men: van dan tot dan is het win­ter en dan hoort er sneeuw te vallen, van dan tot dan is het zomer en dan moet het lekker warm zijn. Nu komt onze aarde in een ander deel van haar golf­be­weg­ing (al of niet door ons ‘geholpen’) en in plaats van dat wij ons nu aan­passen aan hoe de natu­ur zich gedraagt willen wij haar dwin­gen om bin­nen onze gefan­taseerde win­ter-en-zomer-regelt­jes te bli­jven.

Deze twee voor­beelden illus­tr­eren een filosofisch soort ‘loslat­en’. Wij hebben eerst een matrix gemaakt die kun­st­matig is (ons idee van de tijd of van het ritme van de natu­ur) en ver­vol­gens gaan we ons naar die matrix gedra­gen in plaats van naar de ware aard áchter die matrix: de echte tijd of de ware natu­ur.

Vechtkun­st gaat over het hanteren van dergelijke kun­st­matige matrix­en. We houden ons niet bezig met hoe een beweg­ing feit­elijk ver­loopt, hoe de golf­be­weg­ing die de inter­ac­tie tussen ons en de ander is heen en weer pulseert. We zien alleen maar de ‘ik ben goed en hij is slecht’-emotie, we voe­len alleen maar de angst of woede (of bei­de) en wor­den blind voor het feit­elijke ver­loop van de inter­ac­tie. We hebben regelt­jes gemaakt in de zin van wel of niet sportief zijn en het vecht­en volledig ont­trokken aan wat vecht­en eigen­lijk is. Het is niet voor niks dat de Daode­jing begint met “道可道非常道” – dao ke dao fei chang dao: ‘de weg die in woor­den gevat kan wor­den is niet de bestendi­ge weg’. Woor­den zijn een kun­st­matige matrix die de mens oplegt aan haar omgev­ing, om ver­vol­gens aan dat kun­st­matige vast te houden en de ware aard van diezelfde omgev­ing te ver­geten.

‘Loslat­en’ gaat dan ook over ‘ophouden te willen begri­jpen’, te ‘be-gri­jpen’; laat het idee van willen win­nen of niet willen ver­liezen los, laat je ang­sten en woede los, laat je ideeën over hoe te han­de­len los; en kijk ‑nee: voel- de inter­ac­tie.

Let go of the matrix.

Daoïsme, Filosofie, Instructie, Tit Khun, vormen

De misleiding van het aangeleerde

Toen ik aan mijn vechtkun­st­train­ing begon was ik een jaar of twaalf, der­tien. Uit­er­aard wilde ik weten hoe ik me moest verdedi­gen tegen dit en wat ik kon doen tegen dat, en ik leerde een veel­heid aan tech­nieken.

Die in het mid­den op de achter­ste rij, dat ben ik toen ik zestien was. Op de voor­grond meneer Tan (links op de afbeeld­ing).

Na een korte tijd rond te hebben geshopt in Karate, Taek­won­do (oude sti­jl) en Pençak Silat kwam ik terecht bij meneer Tan. Daar leerde ik niet ’tegen dit doe je dat’, maar ik kreeg een beweg­ing te leren die ik eerst naar tevre­den­heid moest kun­nen uitvo­eren, en daar­na kwam er een korte uit­leg over wat je moet die beweg­ing ‘deed’ inclusief een bijbe­horende part­neroe­fen­ing.

Op zich is dat natu­urlijk niet zo’n vreemde onder­wi­jsstruc­tu­ur, sterk­er nog: onge­merkt zit die in alle kri­jgskun­sten en vecht­sporten. Neem bijvoor­beeld bok­sen: je leert een beweg­ing waar­bij je gezegd wordt dat dat een stoot is, en ver­vol­gens ga je die oefe­nen. Bij Karate idem dito: dit is een stoot, dat is een trap, zus en zo’n beweg­ing is een wer­ing. Same dif­fer­ence.

Het punt is natu­urlijk dat je als begin­ner niks wéét, en er moet ergens begonnen wor­den. Dus gebruikt de lesstruc­tu­ur ‑die een sti­jlschool in feite ís- bij wijze van ingang die han­delin­gen die je sowieso al kent en begri­jpt; allen wor­den ze nu op een sti­jl­spec­i­fieke manier gevor­md en aan­geleerd.

Dit is wat ik lat­er ben gaan benoe­men als ‘het niveau van de tien­duizend din­gen’: tegen dit doe je dat, dit is schop­pen, dit is slaan. En zo voort.

Ik vond Chi­nese sti­jlen leuk om te oefe­nen maar ik vond ze, op het begrip­sniveau dat ik toen had, wel inef­fi­ciënt: waarom zoveel aan­dacht aan het cor­rect uitvo­eren van de vor­mgev­ing van een bepaalde stap? Waarom niet meteen oefe­nen in de beteke­nis van die stap?

De Tit Khun-sti­jl die ik leerde had vijf ‘stapvor­men’, elk gere­la­teerd aan een bepaalde richt­ing. En zoals ik hier­boven al vertelde kreeg ik elke stapvorm nauwgezet uit­gelegd wat je met die beweg­ing deed. En daar begon mijn pad van zelfmis­lei­d­ing.

Meneer Tan probeerde mij in al zijn wijsheid van dat pad weg te houden. Zijn meth­ode bestond uit ver­haalt­jes en anek­dotes (zie HIER).
Nu wat het de tijd van Bruce Lee, en een beroemde uit­spraak van Bruce Lee was ‘absorb what is use­ful’. Wij, leer­lin­gen, zat­en daar­door op een keer te prat­en over tech­nieken van andere sti­jlen die Tit Khun niet had en vroe­gen op een gegeven moment aan meneer Tan of hij miss­chien ooit tech­nieken had overgenomen uit andere sti­jlen. Zijn antwo­ord was, alweer, een ver­haalt­je: “Als je een tech­niek ziet bij een andere sti­jl die je erg goed vin­dt, dan moet je die overne­men natu­urlijk! Zelf doe ik dat alti­jd zo: eerst kijk ik naar hoe ik me met Tit Khun tegen die tech­niek moet verdedi­gen. Als dat niet zo moeil­ijk blijkt te zijn als het aan­vanke­lijk leek heb ik geen reden meer om die tech­niek mooi te vin­den natu­urlijk; maar als ik me er moeil­ijk tegen denk te kun­nen verdedi­gen beschouw ik het als een mooie tech­niek.
Vóór­dat ik ‘m nu overneem vraag ik me eerst af of Tit Khun miss­chien een beweg­ing heeft die heel wel voor die tech­niek gebruikt kan wor­den, maar ik heb daar gewoon nooit eerder bij stilges­taan. Kom ik zo’n beweg­ing niet tegen, dan neem ik die tech­niek over. Maar blijkt Tit Khun een beweg­ing al te hebben die de toepass­ing van die tech­niek toe­laat dan hoeft dat niet, en heb ik mijn eigen sti­jl verdiept!
Uit­er­aard vroe­gen wij meteen welke tech­nieken hij dan uitein­delijk had overgenomen. Meneer Tan glim­lachte, ging achterover zit­ten en zei: “Geen”.

Het zou nog zek­er der­tig jaar duren voor ik daad­w­erke­lijk begreep wat hij met deze uit­leg wilde zeggen.

Dat lag niet aan hem, dat lag aan mij, de leer­ling. Tegen­wo­ordig leer ik mijn eigen leer­lin­gen dat ‘mijn’ kun­st leren net zoi­ets is als het bek­lim­men van een lad­der: je kunt net zo hoog sti­j­gen als je tre­den kunt loslat­en. Maar dat begreep ik zelf, in mijn eigen leer­ti­jd, heel lang niet.

Een voor­beeld: de stap/techniek die bij Tit Khun bek­end staat als ‘pat kwa’. Als solo-stap ziet die er ongeveer zo uit:

En de toepass­ing die ik erbij geleerd kreeg was deze:

Een soort van ‘enkel­breek-tech­niek’ die aan de binnenkant/voorzijde van de tegen­stander wordt gebruikt. Dit heb ik jaren­lang zo geoe­fend, en lat­er zelf ook onder­wezen.
Lat­er leerde ik bij meneer Tan de vor­men (zeg maar: de ‘kata’) van Tit Khun, en daarin kwam die stap meerdere malen voor; maar dan wel op een manier waar­door die onmo­gelijk deze beteke­nis kon hebben. Dús werd het bijbe­horende ver­haal dat de toepass­ing afweek van de vor­mgev­ing in de vorm; het­zelfde flauweku­largu­ment dat je tegen­wo­ordig ook veel hoort in Tai Chi-krin­gen als het gaat over toepassin­gen van ‘de vorm’.

Nee, hart­stikke fóut: de toepass­ing is juist exact zoals je die aan­leert! Je moet alleen de aan­geleerde basis­toepass­ing, die je al zoveel jaren geoe­fend hebt, eerst loslat­en om te kun­nen inzien dat niet de vorm, maar de toepass­ing van die vorm anders is. Het duurde bij mij (maar ik ben een trage leer­ling) ruim der­tig jaar voor ik über­haupt op dat idee kwam…

Mijn punt is eigen­lijk: je leert eerst ‘de tien­duizend din­gen’: tegen dit doe je dat. Maar een goede sti­jlschool voert je verder dan dat: je leert vor­mgevin­gen van hóe je je han­del­ing moet uitvo­eren om ver­vol­gens die spec­i­fieke han­del­ing los te kun­nen lat­en en de vor­mgev­ing voor zichzelf te lat­en spreken. Wat kun je er nog meer mee? Zo wordt je oplei­d­ing steeds con­ceptuel­er tot je uitein­delijk uitkomt op de basis­con­cepten; in het typ­isch tra­di­tion­eel-Chi­nese vocab­u­laire ga je van ‘de tien­duizend din­gen’ naar ‘de vijf ele­menten’, en van­daar groei je weer door naar ‘yin en yang’ om uitein­delijk uit te komen bij de Dao. Van tien­duizend details naar, uitein­delijk, één cen­traal con­cept.

Een sti­jl leert je dus feit­elijk geen tech­nieken of tech­nisch han­de­len; inte­gen­deel. In werke­lijkheid is een sti­jl ‑na het aan­leren van mate­ri­aal om mee te werken- een soort van raad­sel dat de leer­ling kri­jgt toege­wor­pen. Natu­urlijk kun je bli­jven hangen in de basisuit­leg van wat je doet met een bepaalde beweg­ing, en ja: daar kun je heel goed mee wor­den. Maar that’s not the point: het aan­geleerde is niet meer dan een inlei­d­ing en moti­vatie voor de begin­nende leer­ling om die spec­i­fieke beweg­ing über­haupt te willen oefe­nen. Maar om verder te kun­nen te groeien in de con­cepten die de sti­jl achter de scher­men probeert te onder­wi­jzen is het zaak om die eerste uit­leg ‑uit­er­aard na vol­doende beheers­ing- ook weer te kun­nen loslat­en. Je leert geen beperkin­gen, je wordt geschoold in vri­jheid.

Nawo­ord: ik kwam op het idee voor dit artikelt­je door een film­p­je dat ik ergens op Face­book (klik HIER) tegenkwam. Het is een reclame­film­p­je van een paar Karatel­er­aren die ‘alter­natieve toepassin­gen’ van de han­delin­gen uit een kata demon­str­eren, om zo te lat­en zien dat de ‘schoppen-en-slaan’-stijl die (in hun ogen blijk­baar) Karate ‘is’ ook anders gebruikt kan wor­den. Hebben ze iets nieuws ont­dekt? Nee, niet iets nieuws. Hebben ze iets ‘ont-dekt’: ja, ze hebben de schil van dat­gene wat hen was aan­geleerd (Karate­be­weg­in­gen gaan over schop­pen, slaan en blokken) van zich af kun­nen wer­pen. Een sti­jl is geen leer­school in beperkin­gen (‘deze ene beweg­ing doet het ene dát’), het is een opeen­stapel­ing van raad­sels (‘wat kun je alle­maal met deze ene beweg­ing?’ ‘Wat is het ene achterliggende, alom­vat­tende con­cept ervan?’) om je de weg naar vri­jheid te wijzen.

Laat je trede los en bek­lim je lad­der.

Uncategorized

Het verschil tussen Tai Chi en Qigong

Soms zit je zolang in een ‘dis­ci­pline’ dat je ver­geten bent hoe het was toen je zelf net begon. Mijn leer­lin­gen mak­en het mij daar ook niet gemakke­lijk in: zij zelf oefe­nen inmid­dels alweer vele jaren bij mij, zijn ver gevorderd, en geven zelf les aan relatieve begin­ners; ter­wi­jl ikzelf me alleen nog bezighoud met hen.

Maar toen ik zelf nog maar net doorvloei­de van de zachte sti­jl Kung­fu die ik geleerd had naar Tai Chi begon mijn leer­ti­jd niet met de beweg­in­gen van Tai Chi maar met Qigong. Ik had geen flauw idee waarom dat was — of wát dat was.

De kern van het ver­haal is, zo weet ik inmid­dels na al deze jaren dat ik ‘in het veld’ zit, dat Tai Chi een kri­jgskun­st is. En ik gebruik met opzet het antieke woord ‘kri­jgskun­st’: Tai Chi is inmid­dels ongeveer vier­hon­derd jaar oud en stamt uit een tijd van zwaar­den en speren. Daarmee zit je in de sit­u­atie van een slagveld uit vroegere tij­den en zoals dat gaat op slagvelden: er ontstaat een soort van wapen­wed­loop. De per­soon of per­so­n­en die Tai Chi ontwier­pen wilden iets extra’s, iets waar­door mensen die andere kri­jgskun­sten beoe­fend­en en die aan ‘de andere kant’ ston­den ver­sla­gen kon­den wor­den. De meer­waarde die men zocht werd gevon­den in de vele stro­min­gen van gezond­hei­d­skun­sten die Chi­na van oud­sh­er kent.

Die gezond­hei­d­skun­sten zijn heel divers, zow­el qua manier van oefe­nen als qua doel­stelling. Er zijn stro­min­gen die inder­daad puur voor de dagelijkse gezond­heid bedoeld zijn, er zijn er die gelieerd zijn aan de antieke alchemistis­che onster­fe­lijkhei­d­skun­st en er zijn spir­itueel-med­i­tatieve stro­min­gen. Niets daar­van heeft met kri­jgskun­st te mak­en maar ze hebben alle­maal één ding met elka­ar gemeen: ze baseren zich op een mens­beeld dat niet uit­gaat van spieren, bot­ten enzovoorts (al kende men de menselijke anatomie al pak­weg twee­duizend jaar voor die hier in het west­en werd ‘ont­dekt’ tot in detail); in plaats daar­van ging men uit van qi, ‘energie’, die in banen door het lichaam zou stromen, de zoge­heten merid­i­a­nen.

Hoe kon men vin­den dat dit een meer­waarde zou hebben voor kri­jgskun­sten?

Voor het antwo­ord op die vraag kun­nen we pri­ma kijken naar de Olymp­is­che Spe­len die onlangs in Brazil­ië zijn gehouden, en waar we topatleten in ver­schil­lende dis­ci­plines aan het werk hebben kun­nen zien. Die atleten hebben, naast hun onmenselijk zware train­ing, met elka­ar gemeen dat ze allemáál ontzettend goed zijn en dus met de vraag zit­ten hoe ze toch weer net iets beter kun­nen wor­den. Ze lat­en zich daarom onder­plakken met patch­es en wor­den ver­vol­gens gefilmd, en dankz­ij die patch­es kan een com­put­er hun beweg­in­gen reg­istr­eren en uitreke­nen hoe ze net weer iets effi­ciën­ter kun­nen hoogsprin­gen, hard­lopen, zwem­men of ver­sprin­gen.

Die mid­de­len had men in vroegere tij­den niet, maar men had wèl die gezond­hei­d­soe­fenin­gen die de beoe­fe­naar oefend­en in qi, ‘energie’.

Een noodza­ak bij de vri­je doorstro­ming van qi door het lichaam is fysieke ontspan­ning. Daarmee bedoel ik niet dat je net zo slap moet zijn als nat­te spaghet­ti maar dat je jezelf bewust maakt van onn­odi­ge voel­baarhe­den in je lichaam, ‘span­ning’ zo je wilt. Hoe langer je oefent hoe sen­si­tiev­er je wordt, zow­el in als op je lichaam; en daarmee hebben we al twee aspecten te pakken die de toevoeg­ing van deze oefenin­gen aan een kri­jgskun­st zin­vol maak­ten: je leert je eigen lichaam in een opti­male posi­tie plaat­sen vanu­it je gevoel (waar­door je bijvoor­beeld hard­er kunt slaan, ik noem maar wat), èn je leert om ‘op je lichaam’ het con­tact met de tegen­stander te beïn­vloe­den.

Al met al verk­laart dit de waarde van de toevoeg­ing van gezond­hei­d­soe­fenin­gen aan de kri­jgskun­st Tai Chi.

Waar deze diverse gezond­hei­d­soe­fenin­gen evolueer­den en samenkwa­men in wat we tegen­wo­ordig Qigong noe­men, groei­de ook Tai Chi door de tijd heen. Toen er vuur­wapens kwa­men was een kri­jgskun­st niet meer zin­vol op het slagveld, en Tai Chi werd ‑we zit­ten nu in de negen­tiende eeuw- een indi­vidu­ele zelfverdedig­ingskun­st. En in de vorige ‑twintig­ste- eeuw is dan weer de invloed van die gezond­hei­d­skun­sten op de verdedig­ingskun­st naar de voor­grond getre­den, en heette Tai Chi ineens een gezond­hei­d­skun­st te zijn, een soort van bewe­gende yoga.

Niet is dus min­der waar: Qigong is een med­i­tatieve gezond­hei­d­skun­st en als zodanig geïn­cor­poreerd in de verdedig­ingskun­st Tai Chi. Hoewel de beweg­in­gen op elka­ar lijken door de invloed over en weer en hoewel ook Tai Chi ‘solo’ geoe­fend wordt in vor­men, chore­ografieën, zijn er dus wel degelijk ver­schillen.

Een voor­beeld van een Tai Chi-chore­ografie, gevol­gd door tien Qigong-oefenin­gen

Naar mijn idee moeten die ver­schillen ook bli­jven, en duidelijk naast elka­ar geoe­fend wor­den. Nee, je hoeft niet geïn­ter­esseerd te zijn in ‘vecht­en’ als je Tai Chi oefent; maar het (eventueel in spelvorm) oefe­nen in de Tai Chi-manier van zelfverdedig­ing dóet iets met een mens, het veran­dert je. Door de invloed van de gezond­hei­d­skun­sten en het daoïstis­che ‘go with the flow’-denken dat daarmee gepaard gaat word je niet alleen gezon­der (want fysieke oefen­ing maakt nu een­maal gezond), ook men­taal gebeurt er iets; je leert anders omgaan met weer­stand, met con­frontaties, je laat die makke­lijk­er van je afgli­j­den of weet ze zelfs om te buigen in een sit­u­atie die beter, gezon­der, voor je is.

Samengevat kun­nen we dus stellen dat Qigong een gezond­hei­d­soe­fen­ing is, redelijk med­i­tatief en rust­gevend maar ook bedoeld om aan te sterken, om te her­stellen, om sen­si­tiev­er te wor­den en om meer weer­stand op te bouwen tegen ziek­te. Tai Chi daar­ente­gen is van oor­sprong een kri­jgskun­st, een zelfverdedig­ingskun­st, een fysieke manier om anders ‑zachter- om te gaan met con­frontaties. Al of niet over­drachtelijk.

 

Scroll naar boven