de School van de Kraanvogel

Daoïsme

Daoïsme, Filosofie, Instructie, Tit Khun, vormen

De misleiding van het aangeleerde

Toen ik aan mijn vechtkun­st­train­ing begon was ik een jaar of twaalf, der­tien. Uit­er­aard wilde ik weten hoe ik me moest verdedi­gen tegen dit en wat ik kon doen tegen dat, en ik leerde een veel­heid aan tech­nieken.

Die in het mid­den op de achter­ste rij, dat ben ik toen ik zestien was. Op de voor­grond meneer Tan (links op de afbeeld­ing).

Na een korte tijd rond te hebben geshopt in Karate, Taek­won­do (oude sti­jl) en Pençak Silat kwam ik terecht bij meneer Tan. Daar leerde ik niet ’tegen dit doe je dat’, maar ik kreeg een beweg­ing te leren die ik eerst naar tevre­den­heid moest kun­nen uitvo­eren, en daar­na kwam er een korte uit­leg over wat je moet die beweg­ing ‘deed’ inclusief een bijbe­horende part­neroe­fen­ing.

Op zich is dat natu­urlijk niet zo’n vreemde onder­wi­jsstruc­tu­ur, sterk­er nog: onge­merkt zit die in alle kri­jgskun­sten en vecht­sporten. Neem bijvoor­beeld bok­sen: je leert een beweg­ing waar­bij je gezegd wordt dat dat een stoot is, en ver­vol­gens ga je die oefe­nen. Bij Karate idem dito: dit is een stoot, dat is een trap, zus en zo’n beweg­ing is een wer­ing. Same dif­fer­ence.

Het punt is natu­urlijk dat je als begin­ner niks wéét, en er moet ergens begonnen wor­den. Dus gebruikt de lesstruc­tu­ur ‑die een sti­jlschool in feite ís- bij wijze van ingang die han­delin­gen die je sowieso al kent en begri­jpt; allen wor­den ze nu op een sti­jl­spec­i­fieke manier gevor­md en aan­geleerd.

Dit is wat ik lat­er ben gaan benoe­men als ‘het niveau van de tien­duizend din­gen’: tegen dit doe je dat, dit is schop­pen, dit is slaan. En zo voort.

Ik vond Chi­nese sti­jlen leuk om te oefe­nen maar ik vond ze, op het begrip­sniveau dat ik toen had, wel inef­fi­ciënt: waarom zoveel aan­dacht aan het cor­rect uitvo­eren van de vor­mgev­ing van een bepaalde stap? Waarom niet meteen oefe­nen in de beteke­nis van die stap?

De Tit Khun-sti­jl die ik leerde had vijf ‘stapvor­men’, elk gere­la­teerd aan een bepaalde richt­ing. En zoals ik hier­boven al vertelde kreeg ik elke stapvorm nauwgezet uit­gelegd wat je met die beweg­ing deed. En daar begon mijn pad van zelfmis­lei­d­ing.

Meneer Tan probeerde mij in al zijn wijsheid van dat pad weg te houden. Zijn meth­ode bestond uit ver­haalt­jes en anek­dotes (zie HIER).
Nu wat het de tijd van Bruce Lee, en een beroemde uit­spraak van Bruce Lee was ‘absorb what is use­ful’. Wij, leer­lin­gen, zat­en daar­door op een keer te prat­en over tech­nieken van andere sti­jlen die Tit Khun niet had en vroe­gen op een gegeven moment aan meneer Tan of hij miss­chien ooit tech­nieken had overgenomen uit andere sti­jlen. Zijn antwo­ord was, alweer, een ver­haalt­je: “Als je een tech­niek ziet bij een andere sti­jl die je erg goed vin­dt, dan moet je die overne­men natu­urlijk! Zelf doe ik dat alti­jd zo: eerst kijk ik naar hoe ik me met Tit Khun tegen die tech­niek moet verdedi­gen. Als dat niet zo moeil­ijk blijkt te zijn als het aan­vanke­lijk leek heb ik geen reden meer om die tech­niek mooi te vin­den natu­urlijk; maar als ik me er moeil­ijk tegen denk te kun­nen verdedi­gen beschouw ik het als een mooie tech­niek.
Vóór­dat ik ‘m nu overneem vraag ik me eerst af of Tit Khun miss­chien een beweg­ing heeft die heel wel voor die tech­niek gebruikt kan wor­den, maar ik heb daar gewoon nooit eerder bij stilges­taan. Kom ik zo’n beweg­ing niet tegen, dan neem ik die tech­niek over. Maar blijkt Tit Khun een beweg­ing al te hebben die de toepass­ing van die tech­niek toe­laat dan hoeft dat niet, en heb ik mijn eigen sti­jl verdiept!
Uit­er­aard vroe­gen wij meteen welke tech­nieken hij dan uitein­delijk had overgenomen. Meneer Tan glim­lachte, ging achterover zit­ten en zei: “Geen”.

Het zou nog zek­er der­tig jaar duren voor ik daad­w­erke­lijk begreep wat hij met deze uit­leg wilde zeggen.

Dat lag niet aan hem, dat lag aan mij, de leer­ling. Tegen­wo­ordig leer ik mijn eigen leer­lin­gen dat ‘mijn’ kun­st leren net zoi­ets is als het bek­lim­men van een lad­der: je kunt net zo hoog sti­j­gen als je tre­den kunt loslat­en. Maar dat begreep ik zelf, in mijn eigen leer­ti­jd, heel lang niet.

Een voor­beeld: de stap/techniek die bij Tit Khun bek­end staat als ‘pat kwa’. Als solo-stap ziet die er ongeveer zo uit:

En de toepass­ing die ik erbij geleerd kreeg was deze:

Een soort van ‘enkel­breek-tech­niek’ die aan de binnenkant/voorzijde van de tegen­stander wordt gebruikt. Dit heb ik jaren­lang zo geoe­fend, en lat­er zelf ook onder­wezen.
Lat­er leerde ik bij meneer Tan de vor­men (zeg maar: de ‘kata’) van Tit Khun, en daarin kwam die stap meerdere malen voor; maar dan wel op een manier waar­door die onmo­gelijk deze beteke­nis kon hebben. Dús werd het bijbe­horende ver­haal dat de toepass­ing afweek van de vor­mgev­ing in de vorm; het­zelfde flauweku­largu­ment dat je tegen­wo­ordig ook veel hoort in Tai Chi-krin­gen als het gaat over toepassin­gen van ‘de vorm’.

Nee, hart­stikke fóut: de toepass­ing is juist exact zoals je die aan­leert! Je moet alleen de aan­geleerde basis­toepass­ing, die je al zoveel jaren geoe­fend hebt, eerst loslat­en om te kun­nen inzien dat niet de vorm, maar de toepass­ing van die vorm anders is. Het duurde bij mij (maar ik ben een trage leer­ling) ruim der­tig jaar voor ik über­haupt op dat idee kwam…

Mijn punt is eigen­lijk: je leert eerst ‘de tien­duizend din­gen’: tegen dit doe je dat. Maar een goede sti­jlschool voert je verder dan dat: je leert vor­mgevin­gen van hóe je je han­del­ing moet uitvo­eren om ver­vol­gens die spec­i­fieke han­del­ing los te kun­nen lat­en en de vor­mgev­ing voor zichzelf te lat­en spreken. Wat kun je er nog meer mee? Zo wordt je oplei­d­ing steeds con­ceptuel­er tot je uitein­delijk uitkomt op de basis­con­cepten; in het typ­isch tra­di­tion­eel-Chi­nese vocab­u­laire ga je van ‘de tien­duizend din­gen’ naar ‘de vijf ele­menten’, en van­daar groei je weer door naar ‘yin en yang’ om uitein­delijk uit te komen bij de Dao. Van tien­duizend details naar, uitein­delijk, één cen­traal con­cept.

Een sti­jl leert je dus feit­elijk geen tech­nieken of tech­nisch han­de­len; inte­gen­deel. In werke­lijkheid is een sti­jl ‑na het aan­leren van mate­ri­aal om mee te werken- een soort van raad­sel dat de leer­ling kri­jgt toege­wor­pen. Natu­urlijk kun je bli­jven hangen in de basisuit­leg van wat je doet met een bepaalde beweg­ing, en ja: daar kun je heel goed mee wor­den. Maar that’s not the point: het aan­geleerde is niet meer dan een inlei­d­ing en moti­vatie voor de begin­nende leer­ling om die spec­i­fieke beweg­ing über­haupt te willen oefe­nen. Maar om verder te kun­nen te groeien in de con­cepten die de sti­jl achter de scher­men probeert te onder­wi­jzen is het zaak om die eerste uit­leg ‑uit­er­aard na vol­doende beheers­ing- ook weer te kun­nen loslat­en. Je leert geen beperkin­gen, je wordt geschoold in vri­jheid.

Nawo­ord: ik kwam op het idee voor dit artikelt­je door een film­p­je dat ik ergens op Face­book (klik HIER) tegenkwam. Het is een reclame­film­p­je van een paar Karatel­er­aren die ‘alter­natieve toepassin­gen’ van de han­delin­gen uit een kata demon­str­eren, om zo te lat­en zien dat de ‘schoppen-en-slaan’-stijl die (in hun ogen blijk­baar) Karate ‘is’ ook anders gebruikt kan wor­den. Hebben ze iets nieuws ont­dekt? Nee, niet iets nieuws. Hebben ze iets ‘ont-dekt’: ja, ze hebben de schil van dat­gene wat hen was aan­geleerd (Karate­be­weg­in­gen gaan over schop­pen, slaan en blokken) van zich af kun­nen wer­pen. Een sti­jl is geen leer­school in beperkin­gen (‘deze ene beweg­ing doet het ene dát’), het is een opeen­stapel­ing van raad­sels (‘wat kun je alle­maal met deze ene beweg­ing?’ ‘Wat is het ene achterliggende, alom­vat­tende con­cept ervan?’) om je de weg naar vri­jheid te wijzen.

Laat je trede los en bek­lim je lad­der.

Daoïsme, Filosofie, Instructie, Qigong

There’s one to rule them all

Wij wor­den beheersd en gecon­troleerd door vier ‘spo­ken’. De eerste heet Denken, de tweede Emoties, de derde heet Voe­len en de vierde is Lichaam.

Het eerste spook

Denken maakt dat we over­ra­tionalis­eren. We zijn ver­geten dat het slechts een gereed­schap dient te zijn, en in de huidi­ge maatschap­pij wordt teveel geth­e­o­re­tiseerd en te weinig empirisch gehan­deld. Zelfs onze weten­schap, die mod­erne religie, gaat uit van het bewi­jzen van een the­o­rie in plaats van kijken naar wat er gebeurt. Stel dat de Aarde een tik kri­jgt en daar­door een uur sneller gaat draaien per dag, dan is de weten­schap in staat om te zeggen dat de Aarde ver­keerd draait want op het machien­t­je dat ‘hor­loge’ heet valt de met­ing ineens anders uit: een the­o­rie ‑tijdsmet­ing- is tot een waarheid gemaakt die boven de feit­elijke waarheid uit­sti­jgt.

Vroeger, toen ik een ven­t­je van een jaar of vijf­tien, zestien was nam meneer Tan, mijn Tit Khun-ler­aar, me een keer apart. Ik was gefrus­treerd aan het rak­en door de ‑in mijn ogen- geringe vooruit­gang die ik boek­te in mijn oefen­ing en dat was hem blijk­baar opgevallen. “Je denkt teveel” adviseerde hij, maar merk­te tegelijk­er­ti­jd dat ik daar niet zoveel mee kon. Dus begon hij opnieuw, dit­maal vanu­it een andere inval­shoek. 

Nu was in die tijd Dis­cov­ery Chan­nel net nieuw op de tv (zo lang is dit alweer gele­den) en nog voor­namelijk gevuld met natu­ur­films, iets wat ook tij­dens de train­ing regel­matig ter sprake kwam. Wij, leer­lin­gen, waren erg onder de indruk van de macht, pracht en kracht van de dieren die getoond wer­den, en had­den het er vaak over. 

“Weet jij”, vroeg meneer Tan, “hoe een tijger zijn prooi vangt?” Dat wist ik wel, en ik vertelde hoe een tijger zijn klauwen om zijn prooi sloeg en ver­vol­gens de coup de grace uit­deelde met zijn tanden. Want dat had ik op tv gezien. “Hoe kan hij dat dan?” Vroeg meneer Tan, semi-onnozel. Ik antwo­ordde dat de klauwen van een tijger net waren als die van een kat, met nagels die er uit kon­den schi­eten als hij ze nodig had.

“Oh” zei meneer Tan, en hij frun­nik­te nadenk­end aan zijn kin. “En als die tijger gewoon over de rot­sen loopt, wat doet hij dán met die nagels?”

“Dan trekt hij ze in”.

“Pre­cies!” Meneer Tan priemde tri­om­fan­telijk met zijn wijsvinger naar mijn neus. “Jij bent net als een tijger die rond­loopt met voort­durend zijn nagels uit. Als een tijger dat te vaak doet sli­jten die nagels en kan hij zijn eten niet meer van­gen”. Hij legde uit: “Denken is net zoi­ets: je moet het gebruiken als je het nodig hebt. Wan­neer je het níet nodig hebt, laat het dan voor wat het is, maak het niet te belan­grijk. Het is maar een gereed­schap”.

Het zou zek­er twintig jaar duren voor ik doorhad wat hij bedoelde maar het was, en is nog steeds, een wijze les: je bent je denken niet, het is maar een gereed­schap. Laat het de boel niet over­stem­men

Het tweede spook

Ergens ver in het verleden, miss­chien al sinds de tijd van Abélard en Héloïse, zijn wij begonnen met het ide­alis­eren van emoties. Het is zelfs tot hoog­ste cul­tu­ur ver­heven om Emotie het meest en het vaakst de baas te lat­en zijn over de drie andere spo­ken. Als je tv kijkt gaat het alleen maar over emotiegere­la­teerde zak­en: je hoort er niet bij (emotie) als je niet dit of dat flauwekul­pro­dukt koopt, oh kijk toch eens hoe die beroemd­heid ver­liefd is (emotie) op die andere, stem op mij want als je op die ander stemt dan ben je geen oké per­soon (emotie), kijk eens hoe zielig (emotie) de men­sjes zijn in deze doc­u­men­taire … Ik heb dus geen tv meer want het gaat werke­lijk ner­gens over, er wordt alleen maar inge­speeld op Emotie. 

Als je ergens ration­eel op reageert dan klopt er blijk­baar iets niet aan je: blijk­baar is zelfs het Denken-spook ondergeschikt gemaakt aan Emotie. Je moet en zult emo­tion­eel zijn. En als je hoort zeggen “denk toch eens na, je weet toch dat je het anders moet doen?” Dan wordt er niet bedoeld dat je daad­w­erke­lijk na moet gaan denken: nee, het is een inspe­len op de emotie van een schoud­erk­lop­je willen kri­j­gen van de sprek­er. Meer niet. Onze wereld is stuk omdat wij emotie de baas hebben lat­en wor­den met lieden ron­dom ons die daar ‑of het de wereld nou schaadt of niet- hand­ig gebruik van mak­en. Door te zèggen dat we na moeten denken (maar zon­der dat te hard te menen).

Het derde spook

Als Emotie de keiz­er is met al zijn pracht en praal en zijn ‘als je niet doet of je me leuk vin­dt hak ik je hoofd af’ dan is Denken zijn eerste min­is­ter, en Voe­len ‘het volk’: onderge­waardeerd door de elite, ge- dan­wel mis­bruikt wan­neer en hoe het uitkomt. Dit voe­len is geen ‘emo­tion­eel voe­len’, het is het soort voe­len dat je pas gewaar kunt wor­den na jaren inten­sieve train­ing: de interne train­ing van Kung­fu.

Voe­len wordt ons niet aan­geleerd vanu­it onze cul­tu­ur, en al even­min vanu­it onze schol­ing. Mócht je zo gelukkig zijn dat je spon­taan op deze vaardigheid stu­it bij jezelf kri­jg je al snel de hele wereld over je heen: ‘je denkt niet na’ of ‘je bent niet gezel­lig’.

Interne train­ing daar­ente­gen gaat júist over dit voe­len, dit waarne­men, dit alomte­gen­wo­ordig in je lichaam aan­wezig zijn. Het gaat júist over niet nadenken en niet bezig hoeven zijn met wat anderen van je denken of willen.

Veel mod­erne mind­ful­ness-achtige cur­sussen (raar woord trouwens… had dat niet mind-empti­ness moeten zijn?) die zich baseren op oude tra­di­ties halen als doel ‘gelukkig zijn’ uit die oude tra­di­ties. Laat je niet gek mak­en: zolang Emotie de baas is zul je nóóit gelukkig zijn want er is alti­jd wel iemand die meer heeft, mooier heeft, jou niet aardig genoeg vin­dt enzovoorts. De tra­di­ties waar uit geput wordt waren hele­maal niet bezig met verzadigd zijn of met emo­tionele vol­doen­ing, ze waren bezig met voe­len. Met bewustz­i­jn, bewust zijn

Het vierde spook 

Het lichaam is in feite het paard van of voor de drie andere spo­ken. Bij onge­trainde mensen zie je hoe Emotie op het paard zit met Denken er vlak voor lopend, met de hand aan de teugel. De één is de toe­gang tot de ander: je praat er ration­eel tegen en kri­jgt een emo­tion­eel antwo­ord; je geeft uit­leg aan de leer­ling hoe hij/zij iets beter kan doen en je kri­jgt een uit­ge­breid antwo­ord waarin de leer­ling zichzelf verdedigt alsof je een per­soon­lijke aan­val hebt gepleegd.

Bij uiter­mate goed geoe­fende mensen zit juist Voe­len in het zadel. Deze mensen wor­den niet ver­sto­ord door emo­tion­eel gekra­keel of door te ver of diep over iets nadenken. Als Voe­len in het zadel zit hoeft het paard niet te ren­nen omdat de beri­jder van het moment ‑Emotie of Denken- de ander voor wil bli­jven. Het hoeft niet naar links of naar rechts omdat iemand anders dat wil, het paard mag gewoon paard zijn.

Zo had ik ‑jaren gele­den alweer- een gesprek met een Kung­fu-meester. Hij had geen leer­lin­gen, wilde die ook niet, maar wilde mij wel wat helpen met de vra­gen waar ik mee zat op het gebied van mijn interne train­ing: ik wilde graag beter wor­den (‘willen’ is Emotie) in mijn interne oefen­ing, en had al van alles gelezen aan oude tek­sten (‘studie’ is Denken). Eén van de zak­en die ik tegenkwam was de kwest­ie van het celibaat: voor het behoud van je energie zou je je moeten onthouden van seks. Hij keek mij geschokt aan: hoe ik aan die onzin kwam? Dat was iets van religie, niet van interne train­ing! Gewoon nor­maal doen was goed genoeg vond hij (en aan zijn interne kwaliteit viel in ieder geval niet te twi­jfe­len). Het paard moet grazen maar nooit meer eten dan hij op kan, en niet grazen omdat Denken vin­dt dat het nu eten­sti­jd is en dat een por­tie zus en zo groot moet zijn, of grazen omdat dat voor Emotie zo goed oogt voor de vrien­den waar hij bij wil horen. Een paard eet omdat het honger heeft, rent omdat het ergens naar­toe of juist van­daan moet en rust als er niks is om te moeten. Het­zelfde gold vol­gens hem voor seks.

In feite leerde hij mij de kern van het Dao­isme: eten als je honger hebt, slapen als je moe bent. Voe­len wie je bent.

De Ghost­buster

“Maar hoe doe je dat dan?” is een veel­ge­ho­orde vraag. Eigen­lijk is het antwo­ord hierop heel sim­pel, en bestaat het uit twee stap­pen. Eén: je moet het daad­w­erke­lijk willen. ‘Willen’ is een makke­lijk gebruikt woord en zwaar in waarde gede­val­ueerd; hoe vaak hoor ik niet van iemand dat hij/zij echt Tai Chi wil leren, om dan, als ik een keer daar­na vraag of er thuis een uurt­je per dag is geoe­fend, aangekeken te wor­den alsof ik gek ben… Het woord ‘willen’ wordt erg goed­koop gebruikt. 

Mijn moed­er zei alti­jd ‘niet kun­nen is niet willen’ en oh jee wat had ik daar een berg bezwaren tegen, hoe durfde ze dat zeggen! Maar inmid­dels weet ik dat ze gelijk heeft: wat onmo­gelijk is dat kan gewoon niet maar daar­buiten zijn zelfs onbereik­bare din­gen bereik­baar, zolang je maar bereid bent om de pri­js ervoor te betal­en. Prins Gau­ta­ma wilde ver­licht­ing en ver­li­et daar zijn gezin en harem en zijn prins-zijn voor om lat­er de Boed­dha te wor­den. Wil je iets zó graag? Of toch een beet­je min­der? Hoeveel min­der dan?

Dit is het ‘willen’ waar ik het over heb. Als je door nauwgezet je interne train­ing te doen je qi goed hebt opge­bouwd en je jezelf bek­waamd hebt in wat ‘voe­len’ is, dan wordt je wil sterk. En het is die wil die maakt dat Emotie ‑de keiz­er- van het paard wordt gesodemie­terd en dat de macht daar komt waar die thuishoort. Bij Voe­len.

Daoïsme, editorial, Qigong

Over Daoïsme

Wat is Daoïsme?
In de School van de Kraan­vo­gel is één van de belan­grijk­ste qigong-oefen­vor­men Wudang Qigong Shibafa, ‘Acht­tien Meth­od­es Wudang Qigong’, kortweg Wudang Qigong. De band tussen Wudang Qigong en het Daoïsme noodza­akt ons om ons te verdiepen in het Daoïsme, en er zijn twee manieren om dat te doen.
De eerste manier bestaat daaruit dat we de Dao, de Weg, zichzelf lat­en onthullen. De meesten van ons zullen ken­nis over het Daoïsme echter tegenkomen via de tweede weg, die inhoudt dat anderen ons erover vertellen. In dat geval nemen we feit­elijk niet zozeer ken­nis van het Daoïsme maar eerder van de visie, en het begrip­sniveau, van het indi­vidu dat zijn per­soon­lijke per­cep­tie van de Dao met ons deelt.
Dit lei­dt ons naar drie niveaus waarop het Daoïsme begrepen kan wor­den.
Op het eerste niveau baseren we ons begrip volledig op de geschriften van bijvoor­beeld reizigers die het Daoïsme aan den lijve menen te hebben onder­von­den. Als we hun beschri­jvin­gen lezen zou je het idee kun­nen kri­j­gen dat het Daoïsme een soort van bijgeloof is vol tem­pelt­jes en met hon­der­den, zo niet duizen­den meer en min­der belan­grijke goden, god­hei­d­jes en geesten, en met alchemis­ten, tal­is­man­nen en vel­er­lei magis­che wegen om te tra­cht­en heden en toekomst te beïn­vloe­den.
Het tweede niveau kun­nen we ver­w­er­ven door werken te lezen zoals bijvoor­beeld Kristofer Schipper’s ‘Tao: de lev­ende religie van Chi­na’. We zouden dan al te gemakke­lijk, maar onterecht, gaan geloven dat het Daoïsme een gecom­pliceerde maar goed geor­gan­iseerde religie is ‑met haar eigen cos­molo­gie en vol van vel­er­lei soorten rit­ue­len- die wordt uit­geoe­fend via een kerkachtige organ­isatie.
Om de ver­war­ring te ver­groten is er nog een derde, meer mystiek, niveau om het Daoïsme te begri­jpen en wat we beschreven vin­den in werken zoals de daode­jing en de zhuangzi: het Daoïsme van de ‘eeuwige Weg die niet in woor­den beschreven kan wor­den’, en ‘de Dao kan niet wor­den uitge­drukt in woor­den want als je dat doet is het de Dao niet meer’.
Het Daoïsme heeft dus vele gezicht­en. In de ogen van som­mi­gen is het een bijgeloof van mensen die goden en geesten smeken om wel­vaart en gezond­heid, en die tal­is­man­nen en magis­che incan­taties gebruiken om hun lot te beïn­vloe­den. In de ogen van anderen is het een religie streep filosofie streep metafy­sisch begrip van, en inzicht in, de Weg, de Dao.
Nu luidt de eerste zin van de daode­jing, het oud­ste en beroemd­ste boek over Daoïsme dat 2500 jaar gele­den werd geschreven door Laozi: “de Dao die kan wor­den benoemd is niet de eeuwige Dao”.
Graag wil ik je op basis van deze open­ingszin een gedachte meegeven over hoe het Daoïsme werkt, en wat deze zin feit­elijk betekent.
We nemen water als voor­beeld.
Water heeft drie duidelijk iden­ti­ficeer­bare en fysiek van elka­ar te onder­schei­den ‘stat­en van zijn’: ijs, water, en stoom. Eén van de karak­ter­istieken van de sub­stantie ‘water’ is dat het ijs zal bli­jven tot de tem­per­atu­ur sti­jgt tot nul graden Cel­cius; daar wordt het vloeibaar water. En zoals we alle­maal weten veran­dert water onmid­del­lijk in stoom bij hon­derd graden Cel­cius. Deze drie aspecten van water zijn duidelijk door ons vast te stellen, we kun­nen ze onder­schei­den, het zijn feit­elijke ‘din­gen’, feit­elijke materie die we in onze han­den kun­nen nemen (doe dit alsje­blieft niet met de stoom), we kun­nen ze zogezegd naast elka­ar op tafel leggen; ze zijn solide, ze ‘bestaan’.
Echter, er is geen enkele staat van water mogelijk zon­der tem­per­atu­ur; dus blijk­baar is tem­per­atu­ur één van de vele aspecten van water hoewel wij, in ons ‘weten­schap­pelijke’ maar blind-met-één-oog-onder­wi­js, enkel onder­wi­js kri­j­gen over de H2O-mol­e­culen en dergelijke, de ‘vaste’ din­gen. Ons wordt nooit onder­wezen om tem­per­atu­ur als een valide en onaf­schei­delijk aspect van water te zien.
Desal­ni­et­temin is het dit tem­per­atu­ur-aspect dat maakt dat water kan veran­deren van de ene in de andere staat (overi­gens: samen met de fac­toren ‘druk’ en ’tijd’, maar ik wil het niet moeil­ijk­er mak­en dan het al is). En een karak­ter­istiek van tem­per­atu­ur is dat die alti­jd gelei­delijk kan en moet veran­deren.
Hier hebben we dus een zicht­bare en een onzicht­bare per­cep­tie van water: in de zicht­bare, fysieke en uiter­lijke visie is water gebon­den aan natu­ur­wet­ten waar­door het relatief abrupt wijzigt van de ene staat in de andere: er is geen gelei­delijke over­gang van ijs naar water, we hebben het ene moment ijs en het andere moment vloeibaar water; we hebben het ene moment vloeibaar water en plot­sel­ing hebben we stoom.
Aan de andere kant is er het onzicht­bare, ongri­jp­bare en niet-fysieke begrip van water, het aspect dat we onder­schei­den als ’tem­per­atu­ur’. En zodra we water vanu­it deze inval­shoek bezien bestaan er alleen máár gelei­delijke over­gan­gen. Tem­per­atu­ur sti­jgt van min naar plus op een con­stante en gelei­delijke wijze; dat kan sneller of langza­mer geschieden, maar de veran­der­ing ver­loopt alti­jd glad­jes. Er zijn geen plot­selinge veran­derin­gen in tem­per­atu­ur, het is nooit het ene moment nul en het andere moment plot­sel­ing hon­derd graden: er zit alti­jd een ‑sneller of trager ver­lopend- gelei­delijk ver­lopend groeipro­ces van hon­derd graden tem­per­atu­ursti­jging tussen.
Dit staat dus in scherp con­trast tot de fysieke man­i­fes­ta­tie van tem­per­atu­ur ‑in dit geval dus water- die gebon­den is aan spec­i­fieke natu­ur­wet­ten, en die bepalen dat de vaste materie niet op gelei­delijke wijze kan trans­formeren: er is of ijs of water, nooit iets er tuss­enin.
Hoe rela­teert deze water­vergelijk­ing nu aan het Daoïsme?
Daar­voor moeten we even terugk­eren  naar die eerste zin uit de daode­jing: “de Dao die kan wor­den benoemd is niet de eeuwige Dao”. Blijk­baar waren er dus mensen die claim­den dat de Dao wèl benoemd kan wor­den; maar ver­vol­gens sprak­en ze over water in de vorm van ijs, in de vorm van vloeibaar water of in de vorm van stoom; ze sprak­en over water als één van deze drie gri­jp­bare, objec­tiveer­bare en duidelijk van elka­ar te onder­schei­den kwaliteit­en.
Maar nee, zegt de daode­jing, dat is niet de eeuwige Dao. Door enkel te kijken naar de gri­jp­bare stat­en van water zie je de tem­per­atu­ur haar werk niet doen, je mist de kracht die de veran­der­ing veroorza­akt en mogelijk maakt. Je mist hoe water niet iets vasts is in drie ver­schil­lende vor­men, dat het in werke­lijkheid voort­durend van de ene in de andere zijnsvorm veran­dert op een gelei­delijke manier. Je mist het zien van de beweg­ing van water doorheen de tijd, je mist het zien van de tijd zelf. Je mist het eeuwige en bent blind voor het feit dat het vaste alti­jd wijzigt door toe­doen van de gelei­delijke aspecten die aan onze aan­dacht ontsnap­pen.
Dit is een uit­leg van de Dao in woor­den; het kan dus niet de juiste zijn. Onder­zoek zelf.
Scroll naar boven