de School van de Kraanvogel

Principes

editorial, Filosofie, Instructie, Lerarenopleiding, onderwijs, Principes, Tai Chi, Tit Khun, training, Zegswijzen

Een meester maakt geen fouten

Eén van mijn ler­aren, boos omdat ik mijn eigen weg ben gegaan, laat ook na bij­na twintig jaar nog steeds te pas en te onpas aan zijn leer­lin­gen en in inter­views weten dat hij ook leer­lin­gen heeft opgeleid (de hint is duidelijk) die zijn wegge­gaan ‘omdat ze denken dat ze al meester zijn’.

Vanu­it zijn optiek bekeken heeft hij gelijk: over mezelf sprek­end (ja, ik voel me aange­spro­ken) beweeg ik niet het­zelfde als hij, ben ik min­der bezig met ‘voet­je zus, hand­je zo’, ik heb zek­er niet de jaren en uren train­ing onder­gaan waar zijn lev­en door gek­leurd is, mijn huidi­ge ken­nis en vaardigheid hebben nog veel te groeien en ik ben al hele­maal niet die leer­ling die buigt voor de meester en zich schikt naar diens grillen.

Ik noem, en vind, mezelf dan ook bij lange na geen ‘meester’ en heb ook die aspi­raties niet — wat moet ik met die titel? …en als ik mezelf al iets zou noe­men behalve ‘Roel’ zeg ik meestal “ik ben ler­aar van mensen”; da’s alles.

Dat heb ik van mijn andere ler­aar, de Tit Khun-meester ‘meneer’ Tan Eng Ho, die zich nooit ‘meester’ liet noe­men, het geen kwaliteits- maar een beleefd­hei­d­saan­duid­ing vond en er alti­jd over zei “noem mij maar ‘meneer’, dat is al respect genoeg”.

Mijn Tit Khun-ler­aar, ‘meneer’ Tan.

Zon­der iets af te willen doen aan hun wed­erz­i­jdse kwaliteit­en in wat ik bij hen heb mogen leren (karak­ters ver­schillen nu een­maal en ik heb ze alle­bei heel hoog zit­ten, ieder op zijn eigen manier) heeft dit ver­schil tussen de ene ler­aar die voort­durend liet weten “ik ben groot­meester” ver­sus de andere die het al heel mooi vond wan­neer hij ‘meneer’ werd genoemd bij mij wel de vraag in het lev­en geroepen wat dat dan is, een ‘meester’.

Mijn eerste defin­i­tie van de term ‘meester’ is tech­nisch van aard: een meester lei­dt een gilde, geeft les aan discipe­len (leer­lin­gen die door hem tot meester wor­den opgeleid), en die discipe­len geven voor het gilde les aan leer­lin­gen (mensen van buiten het gilde die zelf een ander ambacht of beroep uitoe­fe­nen).

Dit over­lapt uit­er­aard met het idee dat een meester over heel veel meer ken­nis en vaardigheid beschikt, maar dat lei­dt automa­tisch tot de vraag ‘vaardigheid waarin dan?’, en daar wordt het wat com­plex­er.

De vraag wordt dan namelijk wat belan­grijk­er is voor de discipel — moet hij de meester exact kopiëren omdat de han­delin­gen pre­cies op dezelfde manier moeten gebeuren, moet hij pre­cies zijn in de sociale regelt­jes van het gilde; of is het voor de meester zaak dat de discipel leert waaróm er zus-of-zo gehan­deld wordt, dat hij de essen­tie van de han­delin­gen leert ken­nen, dat hij die essen­tie leert aan­passen aan een nieuwe tijd in, miss­chien, een gewi­jzigde vor­mgev­ing?

Hier heb ik geen wijsheid in; wel een keuze, en mijn keuze is op het laat­ste gevallen waar­door ik mezelf nooit heb afgevraagd “doe ik het wel exact zoals ik het geleerd heb” of “gedraag ik me wel vol­gens de regelt­jes”, maar juist alti­jd ben bezig geweest met “waar gaat het in de kern om” en “hoe kri­jg ik dit overge­dra­gen in deze tijd die zo anders is als vroeger”. Het was de keuze tussen de struc­tu­ur van de meester en het gilde, het busi­ness­mod­el zo je wil, of de kun­st die je daar kwam leren.

Op basis van het leer­pro­ces dat ik door­lopen heb als gevolg van die keuze heb ik een heel andere defin­i­tie ontwikkeld van wat een meester is: 

“Een ‘meester’ maakt nooit fouten”.

Nee, ik bedoel niet dat ‑ie dan per­fect is, verre van dat; ook niet dat hij ‘de beste’ is.
Waar het om gaat is dat een meester begri­jpt dat elke sti­jl, elke meth­ode en elke (gilde-) cul­tu­ur zijn zwakke pun­ten heeft. Meester­schap bestaat dan ook niet uit het zo goed mogelijk zijn in de din­gen die jouw sti­jl of aan­pak doet, het bestaat niet uit heel goed zijn in pre­cisie met betrekking tot je vaardigheid en het bestaat al helemáál niet uit de geschiede­nis die je hebt door­lopen om je vaardigheid en ken­nis te ver­w­er­ven — het bestaat uit inzien wat je eigen zwakke pun­ten zijn en die ver­vol­gens niet weg willen stop­pen, maar ze accepteren voor wat ze zijn en ze actief incor­por­eren in je aan­pak, in je flow: je sterke punt is je zwakke punt, je zwakke punt is je kracht.

In de muziek bijvoor­beeld, en dan jazz bij uit­stek, draait het idee van ‘geen fouten’ om het ver­mo­gen om onverwachte klanken direct een plek te geven bin­nen de muziek. Wat eerst als een miss­er voelt kan dan het begin wor­den van een con­tin­uïteit of miss­chien zelfs van iets nieuws — mits de muzikant er bewust op reageert en het muzikaal verder uitwerkt. Het gaat dus min­der om wat je speelt en meer om wat je er daar­na mee doet. Zo zei Thelo­nious Monk(bron) ooit “Er bestaat geen foute noot, het gaat erom hoe je hem oplost”.

Invloedrijke jazzmu­si­ci zoals Miles Davis en dus ook Thelo­nious Monk benadruk­ten daarom het principe dat een noot pas ‘fout’ is zodra je hem laat vallen en er bij stil­staat, niet als je hem vloeiend mee­neemt in het ver­volg.

Dit is ook iets wat de lange vorm van Yang-sti­jl Tai Chi je wil leren: als je A doet reageert de ander met B, jij doet C en dan is het klaar… MAAR als het dan toch níet klaar zou zijn door­dat de ander daarop weet te rea­geren, dan ga je vloeiend door met D. 

Uit­er­aard moet je de vorm hier­voor niet als ‘een gezond­hei­ds­dans’ beoe­fe­nen (niks mis mee, ik bedoel het niet als oordeel) maar voort­durend schaduwen, ‘echt’ mak­en, wat je aan het doen bent.

Zo wordt een vorm van (afhanke­lijk van hoe je telt) 108 han­delin­gen één lange, con­tin­ue flow waarin je voort­durend de steek die je hebt lat­en vallen incor­poreert in jouw con­stante aansluit­ing op wat de ander doet, en zolang je maar vloeiend door bli­jft gaan maak je geen fouten.

Terug naar het begin: je wordt geen meester omdat je geoe­fend hebt onder andere meesters; om ‘meneer’ Tan aan te halen: “Als het spel van kop­er is en de leer­ling van goud wordt het spel van goud; máár als het spel van goud is maar de leer­ling is van kop­er, dan wordt het spel van kop­er” — van wie jij les hebt gehad maakt jou niet goed, jij maakt jou goed.

Ik vind het zodoende totaal niet boeiend of iemand mij wel of geen ‘meester’ noemt. Ik wéét dat ik steken laat vallen in mijn vaardigheid maar ga door, alti­jd met respect voor de ander maar nooit stil­staand bij wat een ander vin­dt dat ik ver­keerd doe.

Een riv­i­er die stil­staat is dood water; de kun­st is mijn ler­aar.

Film, Instructie, onderwijs, Principes, Tai Chi, training

Vechtkunst of gezondheidskunst?

Dit is eigen­lijk best een goede video met daarin een analyse van de his­torische trans­for­matie van Tai Chi van een dodelijk Chi­nees vecht­sys­teem naar een mod­erne dis­ci­pline die vooral op gezond­heid en ontspan­ning is gericht. En de reden dat ik zeg ‘goed film­p­je’ is, uit­er­aard, omdat hij exact het­zelfde uitlegt als ikzelf al jaren roep: namelijk dat de mar­tiale kern van Tai Chi niet verd­we­nen is maar ver­bor­gen ligt onder lagen van filosofie en mys­ti­fi­cerende qi-praat. Om de kun­st weer als vecht­sport in te zetten is ‑stelt de video­mak­er terecht- een terug­keer naar inten­sieve druk­testen en een diep begrip van prak­tis­che toepassin­gen noodza­ke­lijk.

De vraag die dan nog rest is: waar zit de School van de Kraan­vo­gel in dat spec­trum? …en het antwo­ord luidt: ergens in het mid­den. In deze tijd van vuur­wapens, bom­men en raket­ten oefe­nen wij voor onze gezond­heid in de ‘inter­ac­tieve kant’ ‑noteer dat ik het woord ‘vecht­en’ ver­mi­jd- om de sim­pele reden dat wij niet voor onze ontspan­ning oefe­nen maar dat we onszelf trainen in ontspan­ning; ogen­schi­jn­lijk een ver­schil van niks behalve dan een ander woord­je, maar in de kern komt het hierop neer: ‘voor je ontspan­ning oefe­nen’ betekent dat je een uurt­je voor de gezel­ligheid in je club­je gaat oefe­nen en lekker ontspan­nen weer naar huis gaat; niks mis mee uit­er­aard. ‘Jezelf in ontspan­ning trainen’ wil zeggen dat je min­stens één, maar liev­er een aan­tal uur, per dag traint om de vaardigheid te ver­w­er­ven dat je onder de stress van het dagelijkse lev­en gewoon relaxed kunt bli­jven. Dat betekent dat je jezelf tij­dens de train­ing onder druk zet, onder druk láát zetten ook, zodat je op dat gebied gren­zen ver­legt. De beste train­ing daar­voor is, bij mijn weten, kri­jgskun­st. Die hoeft niet ‘real­is­tisch’ te zijn want in de ring vecht­en is ook niet real­is­tisch — commando’s in het leg­er trainen immers ook geen MMA en dat is niet voor niks. De enige func­tie van ónze vechtkun­st­train­ing is dat je leert ontspan­nen te bli­jven onder druk.

Dat lukt je niet met een uurt­je qigong in de week.

Chinese termen, editorial, Instructie, kracht, Neidan, Principes, Qigong, Tai Chi, training

Over xu ling ding jin 虛領頂勁

De uit­drukking 虛領頂勁 ‘xu ling ding jin’ wordt in Tai Chi-tek­sten soms geschreven als 虛靈頂勁. Let op het ver­schil in karak­ter voor ‘ling’ (ling 領 en ling 靈). De eerste manier van schri­jven betekent zoi­ets als “lege nek, kruin/bovenkant van het hoofd-jin”, ter­wi­jl de laat­ste ver­taald kan wor­den als “lege, beweeglijke kru­in-jin”. Bei­de ver­talin­gen lijken weinig beteke­nis te hebben, dus wat wordt er nu pre­cies mee bedoeld?

 

De uit­drukking 虛領頂勁 ‘xu ling ding jin’ wordt in Tai Chi-tek­sten soms geschreven als 虛靈頂勁. Let op het ver­schil in karak­ter voor ‘ling’ (ling 領 en ling 靈). De eerste manier van schri­jven betekent zoi­ets als “lege nek, kruin/bovenkant van het hoofd-jin”, ter­wi­jl de laat­ste ver­taald kan wor­den als “lege, beweeglijke kru­in-jin”. Bei­de ver­talin­gen lijken weinig beteke­nis te hebben, dus wat wordt er nu pre­cies mee bedoeld?

Bren­nan[1] geeft voor bei­de manieren van schri­jven dezelfde ‘ver­tal­ing’: “druk de kru­in lichtjes/krachteloos omhoog”. Ik ben het niet eens met deze ver­tal­ing.

Lat­en we de uit­drukking eens ontle­den.

虛 ‘xu’ betekent ‘leeg’, ‘insub­stantieel’. In de con­text van Tai Chi wordt het vaak gebruikt als con­trast met 實 ‘shi’, ‘vol’, ‘sub­stantieel’.

領/靈, de eerste ‘ling’, betekent ‘nek’, ‘kraag’, ‘lei­den’. De tweede ‘ling’ betekent ‘lev­endig’, ‘behendig’, ‘flex­i­bel’, en ver­wi­jst naar de men­tale ‑niet de fysieke- inter­pre­tatie van deze woor­den.

頂 ‘ding’ betekent ‘bovenkant’ of, in de con­text van anatomie, ‘hoofd­top’ of ‘de kru­in van het hoofd’.

勁 ‘jin’ is het spe­ciale ‑en onver­taal­bare- type kracht dat Tai Chi probeert te gebruiken.

De tekst van Chen Yan­lin gebruikt voor­namelijk 領 in plaats van 靈 dat slechts één keer voorkomt, dus lat­en we ons con­cen­tr­eren op 虛領頂勁. Brennan’s ver­tal­ing, “licht/krachteloos de kru­in omhoog drukkend”, mist de bedoel­ing van dit gezegde, sim­pel­weg omdat het de han­del­ing van omhoog drukken sug­gereert. Mijn eigen ver­tal­ing, ‘de jin van leegte die naar de top lei­dt’, is niet alleen let­ter­lijk­er maar legt ook pre­cies uit waar het om gaat.

Nu ben ik natu­urlijk op de hoogte van de verk­larin­gen die wor­den gegeven door Chi­nese meesters als Zheng Man­qing (Cheng Man-ch’ing), die zegt:

按頂頭懸者。 譬如有辮子時。

將其辮子系於樑上。體亦懸空離地。

此時使之全身旋轉則可。若單使頭部俯仰。

及左右擺動。則不可得也。

‘Hangende kroon’: dit is alsof iemand een vlecht heeft die aan een balk boven zijn hoofd is vast­ge­bon­den. Het lichaam hangt dan ook boven de aarde. In deze sit­u­atie kan het lichaam draaien, maar het hoofd kan niet buigen (naar boven kijken) en kan niet van links naar rechts bewe­gen”.

虛靈頂勁。

及頂頭懸之意。亦若此而已。

Xu ling ding jin is pre­cies het­zelfde als de yi van de opge­hangen hoofd­top (hangende kroon)[2].

Naar bene­den hangen aan een balk geeft een totaal andere sen­satie dan omhoog drukken; dat is één van de rede­nen waarom ik Brennan’s inter­pre­tatie afwi­js. De andere reden is, nou ja, omdat zijn idee van wat ermee bedoeld wordt gewoon­weg ver­keerd is.

Een fun­da­menteel con­cept in mijn Tai Chi-school is de beoe­fen­ing van 意守丹田 ‘yi shou dant­ian’, ‘de yi bewaakt de dant­ian’ of ‘de yi wordt bewaakt in het dant­ian’ (het betekent dit alle­bei tegelijk). Het leert de leer­ling om de fysieke sen­satie van het denken, namelijk de druk van de herse­nen, naar de buik te lat­en zakken. Dit vereist een cor­recte, ver­ti­cale lichaamshoud­ing en resul­teert in (1) een andere manier van bewustz­i­jn, en (2) een fysieke sen­satie van lichtheid in het hoofd. Dit gevoel van lichtheid wordt gedeel­telijk bedoeld met 虛 ‘xu’, het andere deel van de beteke­nis is de voor­waarde voor het bereiken hier­van: de ver­ti­cale uitli­jn­ing.

Deze ver­ti­cale uitli­jn­ing is uiterst belan­grijk aangezien Tai Chi, wat de toepassin­gen betre­ft, kan wor­den beschreven als ‘een cirkel op een stok’. In de ‘Tai­ji­quan Jing’ van Wang Zongyue lezen we dit als 立如平準,活似車輪 ‘li ru ping zhun, huo si he lun’: ‘sta even­wichtig, beweeg als het wiel van een wagen’. Een even­wichtige houd­ing is een rech­top­staande, ver­ti­caal uit­geli­jnde houd­ing, zoals een stok. Het wiel van een wagen is als een cirkel.

Het beoe­fe­nen van yi shou dant­ian lei­dt dus niet alleen tot een lege geest (wat erg belan­grijk is tij­dens gevecht­en, omdat het ons bevri­jdt van onze emoties), maar het fysieke gevoel van ‘leegte die naar de top lei­dt’ dat ermee gepaard gaat, zorgt ook voor onze ver­ti­cale uitli­jn­ing. Dit maakt xu ling ding jin, de ‘leegte die naar de top geleidt’-jin, een uiterst belan­grijk Tai Chi-principe dat eigen­lijk niets te mak­en heeft met, en ver ver­wi­jderd is van, Brennan’s “druk de bovenkant van het hoofd ongedwongen/krachteloos omhoog”.

Belan­grijk voor kri­jgskun­st-beoe­fenaren om uit het boven­staande mee te nemen is dat je, door deze ver­ti­cale uitli­jn­ing die je opbouwt niet vanu­it denken maar vanu­it ‘voe­len’ (nl. de lichtheid in je hoofd) te com­bineren met relatief gevorderde qigong, je het gevoel kri­jgt alsof er een zuil ver­ti­caal door je lichaam loopt:

Als je nu je ‘cirkel op een stok’-structuur open zet (dus een ver­ti­cale posi­tie met je armen in een cirkel voor je lichaam) EN je bli­jft je naar bin­nen toe focussen (‘intern’ dus) op die ‘zuil’ dan resoneert elke con­tact op je armen (of elders op je lichaam) via je peng-vaardigheid op die zuil, en voel je de druk van de externe impact dus daar waar je focus ligt: niet op je armen-in-cirkelvorm maar op die interne zuil.

Die druk kan op drie pun­ten op de zuil komen, waar­bij je ervar­ing dat die zuil rond is essen­tieel is:

ad 1.: dit komt bij­na nooit voor vanu­it de ander, alleen waar je het zelf zo opzet; maar áls het vanu­it de ander voorkomt stu­itert die van je arm­cirkel af;

ad 2.: door ‘con­tact­punt is draaipunt’ te gebruiken kun je zo achter of voor­bij de inkomende krachtli­jn van de ander draaien;

ad 3.: als de inkomende druk ja aan het draaien zet gebruik je dat en draai je mee en miss­chien zelfs wel hele­maal naar de andere richt­ing.

1 is ‘op de plaats’ en je hebt hier een vaste en sterke posi­tie voor nodig, anders val je zelf om en stu­iter je jezelf weg op de impact; 2 en 3 lei­den, door­dat je werkt met ‘de benen hangen aan het dant­ian’ en de ‘knieën onder de ellebogen’-regel (in de principes van Yang Cheng­fu ver­wo­ord als ‘boven en onder vol­gen elka­ar’), tot razend­snelle en onverwachte ver­plaatsin­gen. Als je daar­bij inder­daad je armen con­stant in een cirkel houdt lei­dt die cirkel als vanzelf tot ‘tech­nieken’ omdat elke Tai Chi‑, Baguazhang- en Xingyi-posi­tie een vari­atie is van de kern-‘cirkel op een stok’-houding.

Omdat er tegen­wo­ordig niet meer gevocht­en wordt met Tai Chi zijn er aller­lei spir­ituele, totaal niet ter zake doende, verk­larin­gen gegeven voor xu ling ding jin, maar dit is de ware beteke­nis. Je inte­greert dit door niet zozeer de vorm te ‘lopen’ maar door deze actief te schaduw­bok­sen.

Pas nadat je goed gewor­den bent in deze benader­ing van xu ling ding jin heb je kans op een tweede reden voor, lees: voordeel van, deze jin: door­dat je voort­durend op die interne zuil gericht bent kri­jgt dat wat er om je heen gebeurt geen emo­tionele greep op je: de agressie van de ander maakt jou niet boos en kan je rust niet ver­storen.

Deze twee aspecten mak­en xu ling ding jin tot miss­chien wel de belan­grijk­ste jin van Tai Chi.

Scroll naar boven